Persoonlijke bijdrage van:

Sjef Engering

Het was 1958 en ik maakte als zestienjarige jongen aan ouders duidelijk dat ik graag
priester wilde worden. Heel even was de schok groot, maar al snel hadden zij zich met
de gedachte verzoend. Een broer van mijn vader en tevens mijn naamgenoot was in die
tijd pastoor in Rotterdam. Dus stiekem waren ze best trots dat hun zoon priester wilde worden. Mijn heeroom was dominicaan, maar daar voelde ik mij niet zo happy bij.
De paters Salesianen van Don Bosco spraken meer tot mijn verbeelding tevens ook omdat ik toch al wat ouder was dan de rest van de eerste klas van het seminarie, hadden zij daar een zo genaamde BKV klas (staat voor buiten klas verband).
Hun klein seminarie was gevestigd in 's-Heerenberg, het latere misschien beter bekende
Gouden Handen.
Al snel werd daar duidelijk dat ik dat jaar de enige wat oudere student zou zijn. Problemen dus. Ik moest alles met de jongens van elf of twaalf jaar meedoen. Duidelijk niet zo'n succes.
Toch heb ik daar twee jaar met plezier gestudeerd. Na die twee jaar kreeg ik het advies om
naar Duiven te gaan, omdat daar was gevestigd een speciaal huis voor late roepingen.
Dat was voor mij een grote verandering. Van de studiezalen en slaapzalen naar een eigen kamer en eigenlijk niemand die je op de vingers keek.
Vier jaar heb ik daar gestudeerd met heel veel plezier. Verschillende akties en loterijen hebben we daar gehouden. Was het niet voor een nieuw orgel dan was het wel voor een nieuwe recreatiezaal.
Pater Piet Post was toen onze overste. Een zeer goed mens.
Op het eind van het vierde jaar kwam de kleermaker langs om twee nieuwe togen aan te meten. Een rib uit het lijf voor mijn ouders heb ik later begrepen. Zij moesten diep in de buidel tasten.
In september 1964 werd ik, samen met tien andere klasgenoten en nog enkele anderen van Ravensbos in Sevenum ingekleed zoals dat toen heette. Ik weet nog wel dat vanuit Ravensbos kwamen Tom Graat en Joep de Vos. De andere namen ben ik vergeten.
Wij kregen als novicemeester Martien Schram. Voor mij persoonlijk een topkerel.
Liep wat slungelig door de gangen maar een man met een hart van goud en strikt eerlijk.
Zoals misschien bekend heel veel appels geplukt, kuikenstallen uitgemest, kuikens in dozen gedaan en in de diepvries gestopt en voor een erg zieke boer uit de omgeving alle asperges gestoken. Ik weet nog wel dat we heel vroeg uit bed moesten, want voor zonsopgang moest het steken klaar zijn. Ik heb ook nog foto's waar we een groot veld bieten moesten uittrekken.
In dat jaar heb ik heel veel van de groep geleerd. Ook beter mezelf leren kennen.
Ik weet ook nog wel dat ik de eerste was die tijdens het noviciaat naar huis mocht voor het huwelijk van mijn broer. Was nog nooit eerder gebeurd. Moest wel in mijn toog naar huis,
Maar ik had stiekem van een van de broeders een zwart pak geleend en ik heb mij toen in de trein omgekleed.
Op het eind van het jaar konden wij kiezen voor de filosofie-studie in het vlaamse of waalse gedeelte van Belgie. Mij leek het leuk om voor het waalse te kiezen omdat je zo nog je frans kon bijspijkeren. De provinciaal besliste anders . Met drie man werden wij naar Gijzegem gestuurd. Daar begonnen voor mij de problemen. Ik had het gevoel te zijn teruggeplaatst in de middeleeuwen. Je had de keuze een geestelijk leidsman te kiezen , maar een van de jongere paters die ik wilde werd afgewezen omat hij te jong en te onervaren zou zijn.
Werkelijk te gek voor woorden. Na twee moeilijke maanden besloten mijn vriend Henk Kolman en ik het voor gezien te houden. Omdat wij geen geld kregen hebben wij het voordeel van ons boortje uitgebuit en zijn wij met de duim omhoog naar Sevenum gelift.
Omdat Matien Schram in Frankrijk zat werden wij door gestuurd naar het provincialaat.
Wij hadden onze gelofte voor een jaar afgelegd en na overleg werd besloten dat ik naar Valkenburg zou gaan om daar als assistent van de prefect te gaan werken.
Niet om te slijmen, maar voor mij was het een topjaar.
Het nieuwe studiejaar zou er een filosofie studie gaan starten in Weert. Een combinatie met
enkele andere orders en congregaties. De studie zou starten in september 1966.
In augustus had ik mijn koffer gepakt staan in Valkenburg en werd ontboden op het provincialaat. Ik dacht om verder af te spreken hoe het in Weert zou gaan.
Dat liep dus even anders. De provinciaal verzekerde mij dat na overleg hem duidelijk was
dat de vervolgstudie voor mij toch wel veel te zwaar zou zijn. Hij zou mij zijn zegen geven, vijf honderd gulden en dan maar terug naar je ouders in Schiedam.
Mijn wereld stortte in. Het was maar goed dat er net op het traject naar Valkenburg zelfsluitende deuren zaten, anders zou ik er zijn uitgesprongen.
Je kan begrijpen dat ook de schok voor mijn ouders groot was. Dat had niemand verwacht.
Duidelijk werd wel dat je in die tijd niet te rebels moest zijn, want dan kost dat je kop.
Na een afkoelingsperiode en na wat jeugdwerk te hebben gedaan, ben ik net als mijn vader en
mijn broers een zaak gestart in ijzerwaren en gereedschappen in Schiedam.
Vijfendertig jaar heb ik daar met heel veel plezier gewinkeld. Ik ben in 1971 getrouwd, heb een dochter en een zoon en drie heerlijke kleindochters.
Mijn grote hobby is muziek (uit mijn Oblatentijd meegekregen) . Doe wat in dirigentenwerk
En speel twee zondagen per maand in Moerdijk. Tevens ben ik twee jaar geleden met de vut gegaan en ben met mijn vrouw verhuisd naar brabant en dat bevalt ons goed.
Nou, dat was mijn Oblatenverhaal. Wrok ken ik gelukkig niet. Ik kijk, ondanks alles met heel
veel plezier en warmte terug aan die tijd en heel vaak vraag ik me af: wat zou er geworden zijn van al je klasgenoten? Mochten zij dit lezen, laat dan eens iets van je horen!!
Heel veel groeten,


Sjef Engering

April 2005

 Charles Eyck

 

 

 

SiteLock