Persoonlijke bijdrage van:

FRANS DUIJF
Ravensbos november 1962 - juli l969
leeftijd 11 t/m 18 jaar

'Helaas, het zijn meestal niet de scherven van het geluk waarmee herinneringen aan elkaar zijn geplakt.'

MARIJKE HILHORST,
De vader, de moeder & de tijd, (Meulenhoff 1999, druk 3, p. 145)

'Woorden zijn de minst betrouwbare verspreiders van waarheid.'

NEALE DONALD WALSCH
Een ongewoon gesprek met God, (Kosmos-Z&K 2001, druk 22, p. 19)


Inleiding

Van november 1962 tot juli 1969 ben ik bewoner van Ravensbos geweest. Ik ben er door de jaren heen nog een enkele keer teruggeweest, ook met vrouw en kinderen. In april 2002 stond ik er voor een gesloten poort. Dat trof mij pijnlijk. Ik begreep van een dame, die daar haar hond uitliet, dat Jomanda het pand gebruikte voor haar optredens. Het zou blijken nog pijnlijker te kunnen.
In de eerste helft van oktober 2002 was ik weer eens in het zuiden en heb ik een kort bezoek gebracht aan wat ooit Collegium Carolinum was. Het bleek, in tegenstelling tot circa een half jaar daarvoor, zelfs mogelijk de kapel te bezoeken. De rekwisieten van Jomanda, die ik daar aantrof, maakten op mij een blasfemische indruk.
Ter relativering: zelf kan ik genieten van dingen die 'op het randje' zijn. Bijvoorbeeld van het lied Waaghals Jezus van de Brabantse nederpopgroep Met Roosen op de CD Vandiekantwege. Uiteindelijk komt Jezus, waar niemand naar om kijkt, van zijn sokkel: 'Over Stratum lopen, z'n shirtje open, 'n bietje blowen. Ja zo ken ik er meer…'.

Goed, nauwelijks een week later - van mijn broer Jos gehoord hebbende dat er een reisverslag van een vakantie in Zuid-Frankrijk uit de jaren zestig op Internet zou staan - vond ik bedoeld verslag, het verhaal van Willem Reijnders, en vervolgens de site ravensbos.nl.
Ik raakte zéér onder de indruk, liet een bericht achter in het gastenboek en besloot spontaan een bijdrage aan de site te zullen gaan leveren. Daarbij gaat het zowel om foto's als om een tekstuele bijdrage.

Ik beheers de techniek om rustig te gaan slapen. Desalniettemin heeft Ravensbos mij twee nagenoeg doorwaakte nachten opgeleverd. Ravensbos, en vooral het perspectief van uitwisseling van ervaringen met lotgenoten en wellicht ontmoetingen, hernieuwde contacten die daarmee gepaard kunnen gaan, waren daar debet aan.

In het gastenboek heb ik uiteenlopende reacties gelezen. Zelf gaf ik aan: 'Ik ben erg prettig verrast door de site; deze überhaupt aan te treffen, maar ook qua inhoud. De site bevat al een schat aan materiaal, die de herinneringen voedt. Na ruim dertig jaar ben ik zeer geïnteresseerd te zien, te horen hoe het een aantal oude bekenden is vergaan.' Inmiddels heb ik een aantal mensen ontmoet (in café Eylders te Amsterdam) en/of gesproken, e-mails gewisseld. Zeer plezierig. Een bevestiging dat het leven de moeite waard is.

Ik gaf aan spontaan te hebben besloten tot een bijdrage. De realisering gaat niet vanzelf. Ik wil laten zien wat de aanleiding of achtergrond is geweest op elfjarige leeftijd naar Ravensbos te gaan, wat dat met mij heeft gedaan: toen, later en nu. Of ik daarin zal slagen, weet ik niet. Dat temeer nu ik, anders dan ik dacht toen ik de site ontdekte, voel dat de situatie dat ik - om met Anja Meulenbelt te spreken - 'de schaamte voorbij' ben nog niet ten volle heb bereikt. Daarbij komt dat ik niet alleen te maken heb met mijzelf of mijn omgeving, maar ook privacyaspecten van oud-Ravensbossers tot prudentie dwingen. Zie bijvoorbeeld de bijdrage van Hans Perik in het gastenboek. Hoe dan ook, ik heb nooit actief gecommuniceerd dat ik op een internaat, laat staan dat ik op een priesteropleiding heb gezeten. Ik heb dat zoveel mogelijk onbesproken of vaag gelaten.

In de bijdrage van Jan Egelmeers in het gastenboek trof mij dat Jan de reacties nogal positief vindt en de impliciete boodschap dat hij het moeilijk heeft gehad. Ik herken en begrijp wel een en ander. Al is er ook een andere kant. Die is bijvoorbeeld duidelijk aanwezig bij Peter van Velzen, zo blijkt uit zijn bijdrage. Bij mij ook. Belangrijk is wat het zwaarst weegt.
Ook bij mij is er een 'andere kant'. Die heeft te maken met het feit dat mij en alle kinderen thuis altijd voorgehouden is dat het belangrijk was goed te 'leren'. Alleen dan kon je verder komen in het leven. Vooral mijn vader was daarin de niet-aflatende motor, dit omdat hijzelf kansen niet heeft gekregen. Om kort te gaan, ik deelde zijn overtuiging. Zie verderop nader.
Als ik aan Ravensbos denk, heb ik gemengde gevoelens. Retrospectief kan ik zeggen dat de positieve gevoelens overheersen. Het klimaat op Ravensbos is bijzonder genoeg geweest voor de ontwikkeling van kwaliteiten om het hoofd boven water te houden. Ik heb een passie opgedaan voor literatuur, waarin je antwoord vindt op alle vragen die ertoe doen. Ik heb een bijzonder gevoel voor humor ontwikkeld, waar ik dagelijks profijt van heb. Ik geniet van het debat op de vierkante centimeter. Al waak ik, sinds ik De tao van het gesprek. De kunst van het luisteren van Michael Kahn gelezen heb, ervoor me niet van hanengedrag te bedienen. Dat is voor een goede balans ook nodig, want ik kan onverwacht zeer direct en scherp uit de hoek komen, heb een hoog 'vulkanisch gehalte'.

Eén van mijn grote ontdekkingen in de vaderlandse literatuur is Jeroen Brouwers. Ik ben begonnen met zijn De laatste deur met als ondertitel Essays over zelfmoord in de Nederlandse letteren, dat in 1983 is verschenen. Daarna ontdekte ik boeken als Bezonken rood, Het verzonkene en Joris Ockeloen en het wachten. Ik ontdekte iets gemeenschappelijks. De biografie van Jeroen Brouwers komt met de mijne op een belangrijk punt overeen. Het wordt me koud om het hart als ik de impact daarvan tot me laat doordringen. Ik heb de ambitie over het verblijf in een internaat nog eens een essay te schrijven. Vooruitlopend daarop wil ik met de lezer enkele passages delen die ik ooit optekende in mijn boekenschrift, al raad ik zonder voorbehoud aan de boeken zelf te lezen.
Brouwers wordt na de oorlog door zijn ouders in een katholiek internaat gestopt. Zijn ouders hebben kennelijk niet begrepen dat Brouwers zo onhandelbaar was door zijn ervaringen in een interneringskamp in Indië. Na het lezen van Bezonken rood, (De Arbeiderspers, 1983, druk 6) waarin Brouwers over de relatie tot zijn ouders (vooral tot zijn moeder) schrijft, noteerde ik onder meer het volgende:

'Het beste dat mensen elkaar kunnen toewensen is: dat ze niet van elkaar zullen gaan houden.'Zo citeert Brouwers zichzelf op pagina 19. Brouwers houdt wel van zijn moeder, ondanks alles, denk ik. Hij is alleen 'verkeerd verbonden' met haar geraakt. Brouwers is met alle (?) vrouwen 'verkeerd verbonden' en met veel anderen ook. Willem Kuipers formuleert in de Volkskrant van 20-11-1981 'Hij schrijft zijn moeder uit zich weg, en tegelijk neemt hij wraak op degenen die zijn geluk, zijn schoonheid, zijn leven hebben verwoest: de Japanners'. Zie pagina 30 e.v. waar Brouwers vertelt hoe hij als tienjarige jongen, onhandelbaar als hij was, op een internaat werd gestopt. Brouwers ziet geen verschil tussen het kamp en het internaat, wel tussen 'deze moeder en de moeder van amper vijf jaar eerder: deze moeder verraadt mij.' Zij heeft afgedaan voor Brouwers: 'Voor mij was mijn moeder toen al dood, vanaf toen heb ik eigenlijk nooit meer intensief aan haar gedacht' (p. 33). Ook was zij in het kamp al gestorven toen de Jappen haar tot bloedens toe in het kruis hadden geschopt.
Ook aardig is de passage waarin Brouwers vertelt dat bij het afscheid, toen de moeder zich naar Brouwers toeboog voor een kus, de voile van haar hoed voor de lippen viel. Prachtig symbool. 'Al dat afscheid nemen is er de oorzaak van geworden dat mijn moeder en ik ten slotte voorgoed verkeerd verbonden raakten, en ik heb leren leven met het traliewerk tussen mij en haar, en tussen mij en de anderen. Mijn liefde gaat verloren'.
Hij is dus 'verkeerd verbonden' geraakt met zijn moeder. 'Wij zullen elkaar niet verraden, hè mama? Wij zullen elkaar nooit in de steek laten, hè? Hè? Hè mama?', lezen we op pagina 55. Zie boven de passage over het verraad.
Vergelijk slot pagina 33: 'Weliswaar was zij mijn moeder, weliswaar was zij mijn moeder niet. Zij was in mijn leven zoals de wind: soms mij aanrakend, maar overigens niet aanwezig'.

Voor deze bijdrage heb ik het boek nog een keer gedeeltelijk herlezen. Met genoegen toon ik de lezer deze parel (p. 31): 'Die kloosterling draagt een meterslange rozenkrans aan het koord om zijn middel. Ik stel mij voor dat er met zo'n rozenkrans flinke meppen kunnen worden uitgedeeld. Ik begrijp het principiële verschil niet tussen een Japanse kampbewaarder en zo'n kloosterling.' De vergelijking van Pater Herman Steenbergen als prefect met de Kwel uit de strip Billie Turf dringt zich op. De latere prefect, Pater Siem Kok, had het in mijn herinnering veel moeilijker. Nu zie ik dat hij gewoon aardig gevonden wilde worden.

Voordat ik fors uitpak, wil ik de lezer graag laten delen in Brouwers definitie van humor: 'Van humor is sprake wanneer men niettemin lacht' (Vlaamse leeuwen, De Arbeiderspers, 1994, druk 1, p. 414).

In de Volkskrant van 30 november 2002 lees ik een artikel over de vraag waar je als ouder terecht moet als die wil weten of een film of tv-programma schadelijk is voor kinderen. De kop luidt: 'Kind is soms wekenlang ontregeld'. Nog één citaat uit dit artikel '… in onze samenleving zijn ook veel impulsen terwijl ouders er niet bij zijn. Dan zou schade kunnen optreden. In Nederland is geen onderzoek gedaan naar de invloed van beeld op kinderen. Dat zou wel eens mogen, om met feiten de emoties in dit debat te vermijden.' Volstrekte nonsens. Een kind kan de was doen, ook hier. Een beetje aandacht, betrokkenheid en liefde doen wonderen. Op 6 november 2002, in café Eylders te Amsterdam, noemde ik het een misdaad een kind ongeveer zes jaar op te sluiten tussen de muren van een klein seminarie. Om bovenstaand artikel te parafraseren: in een klein seminarie tussen vier muren doe je veel impulsen op terwijl je ouders er niet bij zijn. Onvergelijkbare grootheden? Natuurlijk. Het gaat echter niet om absolute grootheden. Ik zal nog even doordraven. Het is duidelijk dat de constructie van een klein seminarie, geleid door mensen die verplicht zijn celibatair te leven, tot wantoestanden leidt. Nog zo'n misdaad. De onthullingen van de laatste tijd over escapades van katholieke priesters spreken boekdelen. Het sacrament van de biecht was bij uitstek geschikt uit te vissen of je ontvankelijk was voor toenadering. Ik prijs me gelukkig dat ik bij de keuze van mijn biechtvader, althans wat dat aspect betreft, de juiste antenne heb gehad. Pikant is sowieso dat een etymologisch verwante betekenis van seminarie zaad is. Dat mocht nu juist niet 'vloeien', zich niet ontwikkelen. Recent hebben de bisschoppen het geregistreerd partnerschap voor priester verboden. Herderlijke bezieling? Dat is zoiets als wat de fiscus doet als hij een voordeel belast van iets wat hij voor zichzelf niet kan krijgen. In 1983 heeft de katholieke kerk de vrijmetselarij in de ban gedaan. Terwijl de vrijmetselarij zich 'slechts' bezighoudt met 'werkend aan onszelf, zoekend naar de medemens, de blik gericht op het waarachtige'. Ja, de vrijmetselarij gebruikt ook nog wat ritualen en symbolen uit de bouwkunde. Zie nader Vrijmetselarij in dialoog met andere stromingen, het verslag van een symposium dat de Tilburgse loge De drie verlichte torens ter gelegenheid van haar tweede lustrum in 1988 heeft gehouden. Zie ook Mozart in de tempel. Raakvlakken tussen componist en vrijmetselarij van Bastiaan Blomhert. Wat een angstige kerk.

Twee anekdotes.
· Pater Crousen had in zijn lessen zeer wijze raadgevingen. Zo adviseerde hij de leerlingen bij het slapen gaan nooit de handen onder de dekens te stoppen, maar ze omhoog te steken.
· Boudewijn Büch heeft vorig jaar onthuld dat de penis van Napoleon weer te koop is. Als een stuk van de lijkwade van Napoleon erbij geleverd zou worden, zou Büch er circa ƒ 50.000,00 voor over hebben gehad. Het bijzondere zit hem natuurlijk niet in genoemde feiten, maar in het gegeven dat het voorwerp is afgeknipt door de biechtvader van Napoleon; afgeknipt, door een verknipte.
Het is hier te vermelden dat ik door de jaren heen de gewoonte ontwikkeld heb, met teksten die ik de moeite waard vind iets te doen. Zo heb ik een eigen citatenboek. Ik wil op deze plek twee citaten kwijt die ik, binnen de context waarover deze bijdrage handelt, relevant vind.
· 'Het is heel makkelijk voor iemand die impotent is om de gelofte van kuisheid af te leggen, en voor de arme om rijkdom af te zweren.' Het betreft een citaat van Boeddha, zoals door Paulo Coelho geciteerd in het boek van Juan Arias Paulo Coelho. De bekentenissen van een pelgrim (De Arbeiderspers, 2002, druk 1, p. 19).
· Met vilein plezier heb ik destijds, toen ik mij afzette tegen mijn rooms verleden, een uitspraak van F. Bordewijk genoteerd, die boekdelen spreekt: 'Geloof is en blijft iets voor de massa die aan de ketting ligt van gebrekkige geestelijke ontwikkeling'; te vinden in Apollyon, Verzameld werk deel 2 (Nijgh & Van Ditmar, 1982, druk 1, p. 427).

Vertrek van huis / aanleiding daartoe

Op 11-jarige leeftijd ben ik van huis vertrokken om er, afgezien van een half jaar als overbrugging van de periode na mijn middelbare school en militaire dienst, nooit meer te wonen.
De aanleiding tot mijn vertrek is gelegen in de omstandigheid dat mij in mijn woonplaats Horst de kans wordt ontnomen naar de middelbare school te gaan. De rooms-katholieke jongensschool van Horst kende voor ieder leerjaar twee klassen. In de twee hoogste klassen, 5 en 6, werd onderscheid gemaakt tussen kinderen die waren voorbestemd om naar de middelbare school te gaan en kinderen die waren voorbestemd om naar de ambachtsschool te gaan. Mijn oudste broer was op grond van prestaties voorbestemd om naar de middelbare school te gaan. Hij doorliep dan ook de desbetreffende klassen. Toen hij in klas 6 zat, doorliep ik de desbetreffende klas 5, die ertoe zou leiden dat ik zou kunnen doorleren. In dat jaar gingen er een paar dingen anders dan redelijkerwijs mocht worden verwacht. Mijn oudste broer kreeg in de slotfase van klas 6 plotseling lage cijfers voor essentiële vakken. Om kort te gaan, hij werd ongeschikt bevonden voor de middelbare school. Ook ik kreeg aan het eind van het 5de leerjaar te horen niet langer voorbestemd te zijn voor de middelbare school. Ik ga in deze bijdrage niet analyseren of blootleggen, laat staan bewijzen, wat precies speelde. Ik beperk mij tot de vaststelling dat daaraan een kongsie ten grondslag lag, waarbij de plaatselijke clerus betrokken was, dit naast de gangbare opvatting dat arbeiderskinderen waren voorbestemd voor het 'edele' handwerk, zal ik maar zeggen. In de 5de klas kreeg ik les in Frans. Ik koester de boekjes (delen 1 en 2) van Les premiers pas nog steeds. De lessen Frans werden gegeven door hoofdonderwijzer Hermans. Dit vak behoorde niet tot het curriculum, maar was facultatief, d.w.z. men kon ervoor intekenen. Er moest ook voor worden betaald. Mijn vader vond het de investering waard. Deze lessen hebben de basis gelegd voor twee dingen:
· Mijn zuinigheid op en liefde voor boeken. Meester Hermans verbood ons te schrijven in Les premiers pas. Hij vond dat ongepast.
· Mijn liefde voor de Franse taal.
Enfin, mijn vader heeft weten te regelen dat mijn oudste broer op een Klein Seminarie te Geleen werd geplaatst. Paradoxaal en komisch tegelijkertijd is natuurlijk dat daarvoor de clerus werd ingeschakeld. Het doel heiligt de middelen. Hij vertrok dus uit huis. Ik kwam in klas 6 bij meester Van den Heuvel, een aardige man, maar dat terzijde. Mijn vader heeft vervolgens met succes geprobeerd ook mij te plaatsen op een Klein Seminarie. Ik kon terecht op Collegium Carolinum van de paters Oblaten van Maria te Valkenburg, huize Ravensbos. Ik heb aldus geen 6de klas lagere school gehad, maar kwam in november, na de herfstvakantie in een voorbereidingsklas voor het gymnasium. Mijn oudste broer Pierre stapte na zijn 1e jaar over naar Valkenburg. Mijn vader heeft daarvoor recent als reden opgegeven dat het eten in Geleen niet zo goed was. Pierre zag er namelijk niet zo gezond uit. Het is vast niet bij hem opgekomen dat er heel andere oorzaken aan ten grondslag gelegen kunnen hebben. Te denken valt om maar een simpel voorbeeld te noemen aan: heimwee. We hebben samen de 1ste klas gedaan, zij het in verschillende lokalen. Kortom, dat betekende dat mijn broer het niet goed genoeg had gedaan. Kennelijk had zijn vertrek uit huis hem ook wel wat aanpassingsproblemen opgeleverd. Daarna bleef ik zitten. Toen mijn broer Huub aan de middelbare school toe was, kwam ook hij naar Valkenburg. Ik heb er gezeten totdat ik er af gestuurd werd. Het laatste jaar van mijn middelbare school, dat ik toen nog moest volbrengen, heb ik doorgebracht in Heerlen, bij de broeders van de Heilige Jozef, waar mijn broer Martin al zat. Pierre rondde zijn middelbare school af, ik vertrok naar Heerlen en Huub ging met mij mee. We woonden daar in een normaal huis, stonden formeel onder toezicht van een zeer kameraadschappelijke broeder Pius, waar we in de weekends mee op stap gingen. Hij had een volvo ter beschikking, waarmee hij 180 kilometer per uur reed. Dat was spannend en onverantwoord tegelijkertijd. Ik ben enkele keren bij een broer van hem geweest, die elders in Heerlen woonde. Wat me daar bijzonder is opgevallen zijn twee dingen. Het huis was niet netjes opgeruimd. Er was een gezellige rommel. Daar werd gelééfd. Het tweede wat me is bijgebleven, is dat de man (en zijn vrouw) niet alleen eigen kinderen over de vloer had, maar ook kinderen uit de buurt. Die woonden feitelijk ook bij hem, vonden daar een thuis. Toen heb ik dat slechts 'geregistreerd'. Met terugwerkende kracht bewonder ik dat, beseffend dat ik zoiets nooit zou doen. Ik heb genoeg aan mezelf en de mijnen.
Alleen in de vakanties kwam ik thuis. Verder liep het contact met het thuisfront (ik heb het vooral over de periode Valkenburg) via zo nu en dan een brief. Ook ontving ik wel eens een pakje met wat lekkers. Dat was dan geopend! Toen accepteerde ik dat. Met terugwerkende kracht irriteert me de inbreuk.
Ik herinner mij mijn vertrek nog als de dag van gisteren. Met opgeheven hoofd ben ik thuis weggegaan. Ik heb mijn moeder dat verschillende malen (vol trots?) horen vertellen. Ik wist heel goed waarvoor mijn vertrek nodig was. Toen ik mijn eerste vakantie thuiskwam, sprak ik mijn moeder niet in het dialect, maar in het ABN aan. Dat heeft indruk op haar gemaakt. Ik was daar erg content mee. Maar dat is maar één facet. Ik heb thuis gemist, nogal. Ik heb affectie gemist. Ik ben de facto in een belangrijke periode van mijn leven liefdeloos opgegroeid. Paters kunnen, al betekent dat 'vaders', hooguit als substituut dienen; het blijft een slap aftreksel. Ik heb veel impulsen opgedaan terwijl mijn ouders er niet bij waren.
Er is meer. Op een instituut als Ravensbos werd je geacht een roeping te hebben. Het is mij ingeprent dat te ventileren, althans nooit te zeggen dat je die niet had. Het doel heiligt de middelen. Ja. Gezond is anders.

Overstap van gymnasium naar HBS

In het najaar 1967 heb ik besloten me niet meer te richten op het gymnasium. Hoewel ik op mijn eindrapport van de 3de klas een 6 plus voor Grieks scoorde, had ik twijfels of het verstandig was me te blijven richten op het gymnasium; dit temeer daar ik voor algebra en meetkunde respectievelijk 4 en 3 scoorde. In de loop van het 4de jaar heb ik mijn leraar Grieks (zijn naam is me ontschoten) in vertrouwen genomen, wat vrijwel direct tot resultaat had dat ik Grieks mocht laten vallen. Het jaar daarvoor had ik hoge cijfers voor Grieks behaald, gemiddeld hoger dan 7. Dat was dank zij een verkeerd soort slimmigheid. Ik had namelijk door dat de docent dezelfde proefwerken gaf, als hij het jaar daarvoor liet maken. Het betrof hier de 'jonge' docent, die al weer weg was. God weet waarom. De oude, die ik in vertrouwen nam, was hem opgevolgd.
Per saldo ben ik tevreden met mijn besluit. Ik vind de combinatie, gedeeltelijk klassieke opleiding en gedeeltelijk praktische opleiding HBS, wel een ideale. Het praktische belang van de HBS zie ik vooral in wat we voor de moderne talen moesten doen: vertalen naar het Nederlands, brieven schrijven in de vreemde talen en boeken lezen. Ik heb er met alle liefde voor gekozen alle boeken echt zelf te lezen en uit te trekken. Daar ben ik trots op. Ik heb er ook erg veel van geleerd.
In 1968 ga ik naar de HBS te Heerlen. Ik kom er samen met een aantal kameraden (Cor van der Zwaan, Sjaak Huijsmans en Sjef van Gennip) uit Valkenburg terecht in de zogenaamde bezemklas. Het St.-Bernardinuscollege (tegenwoordig heet de school kortweg Bernardinuscollege, zie de recente foto hiernaast of hieronder) is een zogenaamde experimenteerschool in het kader van de Mammoetwet. Wij zijn daar goed geland.


We krijgen de vakken staatsinrichting en recht. Onder andere daarin was ik erg goed. Ik scoorde op mijn eindlijst respectievelijk 9 en 8. De vakken werden gedoceerd door de advocaat mr. Starmans. Een prima man, waarvan ik bijzonder kon waarderen dat hij uitsprak, dat hij het zijn kinderen nooit en te nimmer zou aandoen ze op een internaat te stoppen. Mijn besluit rechten te gaan studeren is mede beïnvloed door die omstandigheden. Daarnaast is die keuze mede bepaald door een ingebakken rechtvaardigheidsgevoel, gevoed door mijn historie en mijn verwijdering van Ravensbos. Dat heeft later ook mijn keuze bepaald een deel van mijn tijd in wetswinkelwerk te stoppen, sterker nog als tweedejaars student mede aan de wieg te staan van de wetswinkel Den Bosch.
Het laatste jaar van mijn middelbare school duurde me te lang. Ik herinner me dat ik er genoeg van had. Ik heb de laatste maanden weinig lessen meer gevolgd. Ik bereidde me praktisch solo voor op de examens. Toen ik mijn diploma behaalde, voelde ik een wezenlijke fase in mijn leven te hebben afgesloten. Ik ben de hele nacht met toenmalige vrienden als Cor van der Zwaan, Sjaak Huijsmans en Huub Boers, tot zo ongeveer een uur of acht in de ochtend, op pad geweest om het te vieren.

Verwijdering van Ravensbos

Even terug in de tijd. Aan het eind van het voorlaatste jaar van de middelbare school ben ik samen met twee andere leerlingen van school gestuurd (namen noem ik maar niet). Kortom, het leven verliep niet rimpelloos. Wij hadden voor de 4de klas en hoger een discussieclub. Hoe dan ook, in 'Focus' stelden wij vrijmoedig allerlei zaken aan de orde. Eén belangrijk onderwerp was omgang met meisjes. Er was een groot gebrek aan vermogen daarmee voldoende open om te gaan. Dat heeft tot boosheid, gemok etc. aanleiding gegeven. Wij waren niet in staat te komen tot een vruchtbare, min of meer volwassen dialoog. Hoe dan ook, in die tijd zocht ik naar mogelijkheden.
Toeval bestaat niet. Nadat ik het voorgaande heb geschreven, ging ik op 1 december 2002 op zoek naar een krantenknipsel, waarover hierna meer, en vond een door mijzelf handgeschreven verslag van de discussiemiddag van zondag 2 maart 1969. Het betreft een verslag van de 'speakerscorner en forumdiscussie over het door Willy Meekels ingebrachte onderwerp: 'Omgang met meisjes?'
Ik dacht dat die club 'Cercle' heette. Niet dus, de club blijkt 'Focus' te hebben geheten.
Ter lering en vermaak geef ik het verslag hieronder integraal weer. Ik herinner me de bijeenkomst op zich, al kan ik me weinig meer van het verloop voorstellen. Wel zal ik ongetwijfeld een mening hebben uitgesproken, wat mogelijk heeft bijgedragen aan mijn verwijdering van Ravensbos.

Verslag van de discussie van Focus. Zondag 2-3-'69
(speakerscorner + forum)
Onderwerp: van W. Meekels - Omgang met meisjes?

Waarom niet? Of niet voldoende? Waarom een meisje niet terdege leren kennen?
Argumentatie: Wij moeten toch kiezen tussen priester of huwelijk en dus moeten we de kans krijgen voor deze omgang.
Als een jongen een verhouding heeft met één meisje of een groep meisjes, moet hij dien afbreken wanneer dit de paters ter ore komt.
Waarom eigenlijk?
Pater V.d. Zee: een klas moet een meisje 'en bloc' als vriendin behandelen. Daarover verschil van mening.
Algemene opinie was: verschil tussen oudere en jongere generaties.
Ook kwam dansles ter sprake. Waarom mogen we niet in Heerlen op de dansles, die toch van school uit georganiseerd wordt.
Hiervoor is ons nooit een duidelijke reden gegeven.
Pater Overste heeft gezegd dat 'dansen' niet in onze opleiding past. Argumentering van de jongens: Als je ophoudt met je studies, sta je verlegen in de wereld. B.v. bij eenn of ander feestje, weet jij je geen houding te geven.
Dansen kan zelfs tot vervolmaking van een priester dienen. De ontwikkeling van de priester moet niet negatief afgerond zijn. Hij moet een zo ruim mogelijke kijk op het leven krijgen, hetgeen P.v.d. Zee beaamde.
Men deed een voorstel om een studentenraad in te stellen, om problemen te bespreken en voor te leggen aan de huisraad.
De jongens hebben in hun eigen zaken te weinig inspraak. Er wordt over hen te veel om hen heen beslist.

Bespreking van de Ouderraad.
Er zijn voorstellen gedaan, die gewoon absurd zijn. Er zou een studentenraad bij de ouderraad aanwezig moeten zijn.
Hadden de paters geen te grote stem in de ouderraad?
In de brief, door P. Overste aan de ouders gestuurd, staan weinig dingen, die voor de jongens acceptabel zijn.
Ter verduidelijking: Brief werd voorgelezen.

Het begin van de brief deed iets ontaktvol aan.
[Er zijn ouders die aanstoot hebben genomen aan de wijze waarop de brief was opgesteld, in het bijzonder het begin]

Sommige ouders zien meer heil in studentenraad, n iet in ouderraad.
HOE KAN EEN GEMEENSCHAP BESTAAN ALS DE LEDEN ZELF NIETS TE ZEGGEN HEBBEN?
Samen met de leden van de gemeenschap moet men tot een eenheid komen.
Het woord 'POLITIEAGENT' doet ons eerder conservatief dan progressief aan.
Men gelooft dat de voorstellen, in de brief vermeld, eerder van de paters dan van de ouders afkomstig zijn.
Vele jongens waren niet in kennis gesteld van het plan om een ouderraad te organiseren.
Ouders moeten de onderwerpen al besproken hebben voor ze met de paters gaan praten.

Het onderwerp 'Prefekt'.
Frater Scholten wordt niet in de brief vermeld, dat hadden we toch graag gezien.
Pater Kok neemt te veel zelf in handen. Hij maakt van futiliteiten grote problemen.
Frater Scholten wordt, hoewel hij pedagogisch gevormd is, onderschat.
Officieel zijn er twee prefekten. In de ogen van de jongens echter is er maar één.
Voorgesteld werd om twee prefekten aan te stellen. Eén voor derde klas en lager. Eén voor vierde en hoger.
Er zijn ook mensen die deze 2 categorieën kunnen overzien, er bestaat dus de mogelijkheid dat één prefekt het ook zal kunnen.
Er zijn twee prefekten, geen van beide weet zijn eigen terrein, dat moet duidelijk aangegeven zijn.
Frater Scholten bemoeit zich ergens mee in zijn functie als prefekt en pater kok berispt hem waar de jongens bij zijn.
Deze situatie is foutief.
Studie moet beperkt worden tot de studie-prefekt en niet moet iemand zich meer functies toeëigenen als hij zelf heeft.
De prefekt maakt het zichzelf te lastig.

Naar aanleiding van het woord 'Politieagent' het volgende: dit is een term die niet meer mag voorkomen.

Gebrek van de brief
Zijn de ouders op de hoogte van de activiteiten op creatief gebied??
Jongens van de lagere klassen kunnen zelf voorstellen doen, b.v. Van kwart tot kwart.
Waarom zeggen de ouders: 'Gilde en verkennerij' zijn ouderwets.'
Men was wel van mening dat er op creatief gebied nog van alles kon gebeuren.

Tafelchefs
Het invoeren van de tafelchefs is een terugvallen in het oude systeem. Hieruit blijkt toch wel degelijk dat de ouders die er waren invloed hebben gehad op de gang van zaken.

LAWAAI IN DE REFTER
Ouders komen één zondag hier en ze hebben al meteen een mening over van alles.
Ouders komen uit een stille huiskamer in het lawaai van de refter.
De jongens zouden stil moeten zijn, omdat de paters anders geen gesprek kunnen voeren. Is dat juist?
Thuis hoor je ook niet alleen, kuchen, en getik van mes en vork op borden.
Moeten de ouders ervoor zorgen dat er jongens gerecruteerd worden?

(Einde discussie). Het was tijd. Voortzetting 9-3-'69
Ondertekend
FOCUS


De laatste twee jaren van de middelbare school gingen wij als leerlingen (dus) naar Heerlen, waar we aan het St.-Bernardinuscollege de school bezochten. De reden daarvoor was dat Collegium Carolinum geen erkende school was, de opleiding althans niet leidde tot een diploma. Het St.-Bernardinuscollege was een jongensschool. Niettemin waren er in het voorlaatste jaar beperkt contacten mogelijk met meisjes van de meisjesscholen (zoals St. Clara) in Heerlen. Af en toe dansavonden op school etc. Daarnaast ging ik en anderen naar café De Kegelbaan in Arendsgenhout, dat vlak bij het internaat was gelegen. Idem naar De Bron. Daar werden we door de plaatselijke, vaste bezoekers steevast gefêteerd. Kortom, dat was gezellig en dus aanlokkelijk.
Dat kwam uit. Tot voor kort heb ik gedacht dat dat voor mij en twee kameraden, we zaten in dezelfde klas, leidde tot verwijdering van school. Voor anderen, die zaten niet in onze klas, niet.
Bijzonder is wat ik op 9 november 2002, van mijn zus, hoorde. Er zou op zijn minst nog een andere reden van mijn verwijdering van Ravensbos zijn, iets wat ik echt voor het eerst hoorde. Ik zou politiek actief geweest zijn! Waaruit bestond mijn halsmisdrijf dan wel? Wat was mijn bijdrage? Welnu, we hadden in de 4de klas van de HBS economie van een bijzondere man, de heer Moolhuijsen. Deze goede man was lid van de PSP (de Pacifistisch Socialistische Partij), als zodanig actief, en dat in het door de KVP gedomineerde Limburg. Wie herinnert zich niet het verkiezingsaffiche van de PSP uit die tijd, de blote vrouw met de al even blote koe (de liefhebber zou ik hebben willen verwijzen naar www.omroep.nl/geschiedenis, maar deze site blijkt het affiche op dit moment goed verstopt te hebben, dus lever ik dit tijdsdocument er maar bij).

Deze goede man, die om een paar voorbeelden te noemen, bij eerste kennismaking alle leerlingen een hand gaf, heel veel praktische informatie gaf, werd door het docentenkorps als 'gek' versleten, met de nek aangezien. Tot overmaat van ramp voor hem kwam hij binnen de partij in moeilijkheden. Om kort te gaan, de man overkwam een drama. Cor van der Zwaan en ik hebben het publiekelijk voor hem opgenomen, door een ingezonden stuk in het regionale dagblad te plaatsen. Tja, dat bleef ook op Ravensbos niet ongelezen. Veel documentatie heb ik verscheurd, wat jammer is. Ik weet zeker dat ik dit krantenknipsel heb bewaard. Helaas heb ik het te goed verstopt. Als ik het vind of kan verkrijgen bij de krant, zend ik het alsnog in voor de site. Wel vond ik boven weergegeven verslag van de discussiebijeenkomst.

Mijn gevoel voor onrechtvaardige en onredelijke behandeling is zo sterk als het leerstuk van de pauselijke onfeilbaarheid; heel diep aanwezig. Het verschil is dat de pauselijke onfeilbaarheid een zwaktebod is. Bovendien is dat uitgangspunt op slinkse wijze door de toenmalige paus ingesteld om zijn eigen wereldlijke positie te verstevigen.
Van het adagium 'audi et alteram partem' had pater Steenbergen, die verantwoordelijk was, kennelijk niet gehoord. Daarbij komt dat ik de indruk heb (overgehouden) dat mijn ouders, dit in tegenstelling tot ouders van enkele anderen, zich niet of te weinig te weer hebben gesteld tegen de verwijdering. Je hebt de gave van het woord of je hebt haar niet.
Boven heb ik al aangegeven dat ik in Heerlen onderdak kreeg bij de broeders van de Heilige Jozef. Ik kon daar komen omdat mijn broer Martin daar kwam te verblijven. Mijn ouders waren boos op me dat ik het 'zover' had laten komen. Ik heb me neergelegd bij het verblijf daar. Het was maar een jaar; dat was te overzien. Ausdauer und Geduld gewinnen des Glückes Huld zegt onze oosterbuur.

Elders in de bijdragen heb ik gelezen over financiële problemen die Ravensbos zou hebben gekend. Ik vermoed dat Pater Overste Kusters, de voorganger van Pater Overste Hendriks, verantwoordelijk moet worden gehouden voor die problemen. Ik herinner mij dat we in de schoolvakantie geacht werden geld op te halen voor Ravensbos. Na de vakantie werden de prijzen verdeeld. Pikant détail is dat ik een berg ondergoed van het merk Zwaluw heb meegekregen van een plaatselijke modewinkel. Pater Overste heeft dat persoonlijk van mij in ontvangst genomen. Ik viel één keer, toen, in de prijzen. Maar wat een teleurstelling werd dat. De grote prijzen waren al weg. Toen ik aan de beurt was om te kiezen, koos ik een boek. Mijn keuze werd me ontzegd, ik was te jong (!) voor het boek, dat bedoeld was voor ontluikende volwassenen. Ik werd afgescheept met een zwemtas.
De liefde voor het boek is gebleven!
Nog een enkele herinnering aan Pater Overste Hendriks. Deze man wist geld te genereren. Hij kende als geen ander de kinderbijslagwet en spoorde ouders aan driedubbele kinderbijslag aan te vragen, waar je recht op had als je kind niet thuis woonde. Toen steeds meer studenten ervoor kozen niet naar het Groot Seminarie te gaan, fulmineerde hij daar van de kansel tegen. Hij verweet mensen zat ze 'zonodig groot moesten worden', doelend op maatschappelijk succes.

De dood van Siem Smit

In de winter van 1969-1970 werd Siem Smit, jarenlang mijn klasgenoot geweest, door een vrachtauto doodgereden. Dat was een grote schok. Ik verbleef niet langer op Ravensbos. Ik mocht voor die gelegenheid met de leerlingen van Ravensbos wel mee naar Heerhugowaard, waar Siem werd begraven. Voor zover ik mij herinner, was dat me als een soort vanzelfsprekendheid aangeboden. Ik ben diep onder de indruk geweest. Na afloop heb ik, samen met Cor van der Zwaan, in een café aan de Akerstraat te Heerlen een behoorlijk aantal biertjes gedronken. Wij hebben lang stilgestaan bij wat dood en begrafenis ons hadden gedaan.

Waardering van mijn Valkenburgse tijd

Ik heb in Valkenburg een goede tijd gehad. Ik heb uitstekend aansluiting gevonden met de andere leerlingen. Ik had geen probleem met het regiem, dat onder meer bestond uit vaste tijden waarop huiswerk diende te worden gemaakt, dan wel diende te worden gestudeerd. Ik had structuur, waarvan ik veronderstel dat die mij te pas is gekomen. Er was volop de gelegenheid tot sporten (volleybal, voetbal, schaatsen, tennis en atletiek), tot deelnemen aan activiteiten in clubverband, tot toneel, het vieren van carnaval. Ik heb in de top van de school volleybal gespeeld (we speelden en gooiden hoge ogen op externe toernooien), ben lid geweest van de raad van elf, eerst van de 'jeugd' (Uulebuulen) , later van de ouderen, de Bosjuule (ook met de raad van elf traden we buitenschools op). Ik ben met veel plezier lid geweest van de Missieclub, waarvoor ik onder meer veel kleedjes heb geweven en ijzerdraadfiguren heb gemaakt. We gingen kamperen in Frankrijk (Vogezen). Later repareerden we veilingkisten en timmerden we een reis naar de omgeving van Marseille bij elkaar. We bouwden een grote blokhut etc.

Ik houd van mijn ouders. Ik ben hen dankbaar wat ze voor mij aan mogelijkheden gecreëerd hebben. Het gevoel daarbij is dubbel. Hun inspanningen hebben me ook wat afgenomen, wat een kras op mijn ziel heeft opgeleverd en (dus) tot op heden aanwezig is, al heb ik het aanvaard. Bovendien wat moet het voor mijn ouders betekent hebben vier van hun kinderen gedurende een belangrijk deel van jeugd kwijt te raken. Dat vervreemding is opgetreden, hoeft niet te verbazen.
Voor wie dit niet vermag te begrijpen: lees het gedicht Het sterfbed van Jean Pierre Rawie, dat gaat over het onvermogen van zoon (kind) en vader tegen elkaar te zeggen dat ze van elkaar houden, iets wat van vader op zoon overgaat.

Geloof/godsdienst

Gaandeweg heb ik mij van de kerk als instituut afgekeerd. Ook heb ik mij atheïst genoemd, met genoegen De Antichrist van Friedrich Nietzsche gelezen etc. Mijn zus herinnerde me onlangs aan één van mijn stellingen: 'Er is geen enkel wetenschappelijk bewijs voor het bestaan van God'. Die stelling was provocatief en voor mij uit de oude doos, niet meer belangrijk. God doet er niet toe. Dat neemt niet weg dat ik van harte onderschrijf wat Johan Schepers in zijn bijdrage opmerkt over de essentie van de spiritualiteit. Ik benader dit (echter) vanuit de antroposofie, die geen standpunt heeft, noch geestelijk, noch politiek. Voor de antroposofie, zoals geformuleerd door Rudolf Steiner is kenmerkend dat het gezag in 'mijzelf rust'. Juist omdat je kunt dwalen, kun je rechte wegen proberen te vinden. Dat levert een vrijheid van keuzemogelijkheden op, waarin het geheim van het leven en ook het geheim van de ontwikkeling van mens, dier, plant, van de aarde als organisme en van de mensheid als zodanig zit. Het mensbeeld van de antroposofie is drieledig: lichaam, ziel en geest. De ziel is eigenlijk de tempel, waarin het gesprek tussen geest en lichaam plaatsvindt. Of dat zover gaat of kan gaan dat sprake is van een voorgeboortelijke keuze voor een bepaalde levensweg, met als consequentie - gesteld dat het geestelijk wezensdeel van de mens van incarnatie naar incarnatie trekt - elk volgend leven confrontatie plaatsvindt met de verantwoordelijkheid voor de eigen daden en de gevolgen, ook van de nalatigheden van vorige levens, sluit ik niet (meer) uit. Velen aanvaarden zonder meer dat de ziel bij de dood het lichaam verlaat. Waarom zou het omgekeerde, dat de ziel bij de geboorte het lichaam binnengaat, dan niet even vanzelfsprekend zijn?
Wat is gebleven is dat ik graag kerken bezoek, bekijk. Ook beluister ik graag Gegroriaanse muziek.

Nog meer herinneringen?

Er zijn zeer veel herinneringen bij me losgemaakt. Veel laat ik nu onbesproken. Ik kan niet aan de gang blijven. Eén voorval, waar ik wat van geleerd heb, noem ik. Op één van onze vakantiereizen, die waar we Würzburg hebben aangedaan, aten we in een klooster. Op het menu stonden karbonades. Aan het eind van de maaltijd lag op de schaal nog een eenzame karbonade. Jo Crijns, die tegenover mij zat, vroeg wie er nog een karbonade lustte. Ik nam de uitnodiging, op dit punt nog zonder krassen, onbevangen aan. Jo zei vriendelijk: 'Als iemand je dat vraagt, is het niet de bedoeling dat je erop ingaat. Dat hoort zo niet. Er zijn ook nog anderen…'. De karbonade was een stuk minder lekker.

Besluit

Ik ben een knokker (geen straatvechter), een doorzetter (genetisch bepaald), ambitieus, hard voor mezelf, uiterst gevoelig. Ik ben per slot een dichter. Ik heb een bijzonder gevoel voor humor, een hang naar spiritualiteit, gezondheid en zingeving. Ik heb een bijzondere liefde voor literatuur en taal.

Ik wil graag meegeven twee wijsheden uit Jonathan Livingston Zeemeeuw van Richard Bach (Strengholt 1975, druk 5, p. 73 en 77), dat is opgedragen aan de echte Jonathan Zeemeeuw, die in ons allemaal leeft: 'Alles wat ons beperkingen oplegt moeten we overwinnen' en 'We zijn vrij om te gaan waar we willen en te zijn wat we zijn.'
Tot besluit citeer ik twee regels uit het gedicht De avond van de dichter van Willem Wilmink (onder meer te vinden in de bundel Ik had als kind een huis en haard), die voor mij symbool staan voor ouderdom en jeugd: 'De avonden zijn om te compenseren / wat overdag is verknoeid'.


3 december 2002

  Pieter van Velzen

 

 

SiteLock