Persoonlijke bijdrage van:
 
 
Henri van de Werd
1951-1954

 

“Een mens”, herhaalde de worm peinzend,”nooit van gehoord. Wat is dat voor een insect?”. “Dat is helemaal geen insect”, sprak Erik, “een mens is een redelijk wezen, naar Gods beeld geschapen, met verstand en vrijen wil.”Tut, tut, wat een mond vol,” mompelde de worm, en Erik hoorde hoe hij zich geërgerd een keer omdraaide,”de een blaast nog hoger van de toren dan de ander, en het slot is dat ze allemaal voor de wormen zijn”.

 

 

Uit ‘Erik of het klein insectenboek’ van Godfried Bomans.

 

 

 

Het bovenstaande citaat dank ik in zekere zin aan Harry G.M. Prick, de meesterlijke verteller die onze ogen opende voor literatuur, waar hij, zoals hij zelf ooit schreef, ‘verslingerd aan was”. Ik herinner mij dat op zijn initiatief een paar maal een klein lokaal werd ingeruimd voor het tentoonstellen van boeken die hij van een boekhandel voor dat doel in bruikleen had ontvangen. Het was een feest in die ruimte rond te mogen kijken.

Heel veel herinneringen komen op; proberen ze allen te beschrijven is ondoenlijk en zou de lezer van dit stukje al gauw vervelen en verwarren. Ik maak dus een keuze. Dat de chronologie van de impressies die ik weergeef, juist is, is niet waarschijnlijk want de tijd haalt vaak vreemde toeren uit met ons geheugen, en zelfs niet alléén wat de volgorde in de tijd betreft.

Bij het lezen van de herinneringen van Jo Hoen en zeker ook bij het lezen van de namen in de klassenlijsten valt mij op hoe gebeurtenissen daar een andere plaats in de tijd hebben dan bij mij. Soms ben je er zeker van dat iets zich toen en daar afspeelde om later te moeten erkennen dat het toch anders was. We kleuren onze herinneringen voortdurend anders in.

Zeker ben ik ervan, en ik kan dat bewijzen, dat ik september 1951 als dertienjarige op het Collegium Carolinum aankwam (en niet in enig ander jaar zoals hardnekkig blijft circuleren op de website van Ravensbos) en er tot de zomervakantie van 1954 als klein-seminarist heb doorgebracht. De reden om er weg te gaan was op de eerste plaats dat ik niet ongehuwd wilde blijven en voorts de dreiging voor voortgezette studie naar Rome te zullen worden gestuurd, waarmee de kans als missionaris te werken zo goed als verkeken zou zijn.

Pater Rientjes uitte eens zijn frustratie over het moeten lesgeven en het niet actief mogen zijn op een missiepost. Pater Kuilboer roerde in een les aan, dat als ons geloof niet op waarheid zou berusten het kiezen voor het priesterschap een zinloze daad was. Reden temeer voor mij om te overwegen, of ik echt wel door wilde gaan met de opleiding.

De eerste twee weken op Ravensbosch bleef de koffer waarmee ik gekomen was onder mijn bed staan. Op de vraag van de prefect, Uiterhoeve, of die koffer niet naar de zolder kon waar iedereen een kast had om de spullen die hij niet dagelijks nodig had op te slaan,  antwoordde ik steeds: “Ik weet nog niet zeker of ik wel wil blijven”. Dat schijnt nogal wat hilariteit te hebben veroorzaakt, hoorde ik later van mijn moeder. Ja, ik wilde wel graag een held zijn, vrij  zijn en avonturen beleven maar dat was toch wat moeilijker dan ik gedacht had.

Ja, dat verlangen om groot te zijn, een man te zijn. Met afgunst keek ik naar de ouderejaars die een lange broek mochten dragen, voortrekker of iets van die aard in de verkennerij waren en meer privileges hadden. Dat was vanaf de vierde klas. Wij jongerejaars droegen allen plusfours: hoe onrechtvaardig dus dat er op een goede dag een eerstejaars leerling arriveerde die wél meteen een lange broek droeg. Wat niet kon met kleding, kon echter wel met roken. Op mijn verjaardag, in oktober van mijn jaar van aankomst werd mij van thuis als cadeau een pijp en een pak Douwe Egberts Heerenbaai gestuurd en kon ik, net als andere veertienjarige jongetjes daar, met een ernstig gezicht op de cour pijp roken. Mijn eerste pilsje dronk ik in Valkenburg op een dag dat wij als verkenners de mogelijkheid hadden het schoolterrein te verlaten. Daarna voelde je nog meer man.

Overigens was ik, zeker in die tijd, erg onzeker van mijzelf en zelfs van de werkelijkheid van de wereld om mij heen. Dat maakt je nogal kwetsbaar en overgevoelig voor opmerkingen van anderen. Ik heb in die tijd dan ook veel moeten leren over mijzelf en over anderen. De drie jaar die ik heb doorgebracht in het Collegium Carolinum zijn waarschijnlijk van betekenis geweest voor het devies dat ik steeds heb geprobeerd te volgen en dat ontleend is aan een uitspraak in Herodotus’ Historiёn: “ Μητε αρχειν, μητε αρχεσθαι εθελω “ (Ik wil niet heersen, noch overheerst worden).

 

Van de prettige dingen van Ravensbosch herinner ik mij het dagelijks mogen opnemen van de minimum en maximum temperaturen ten behoeve van het KNMI. Pater Kempkes had mij daarvoor gevraagd. Het was een dankbare gelegenheid om even alleen te zijn. De meet- instrumenten stonden achter in de tuin in de buurt van de kruisweg, een plaats waar wij gewoonlijk niet mochten komen. Tegenover de hoofdingang stond ook een reusachtige ‘boksboom’ waar ik een aantal malen met een vriendje zo hoog mogelijk in geklommen ben tot waar je in de dakgoot van het kloostergebouw kon kijken. Een hoogtepunt waren ook de kerkelijke feestdagen waarop je vrij had en je in mergel kleurige figuren maakte op de weg waarover de processies gingen. Verder waren er af en toe uitvoeringen, zoals dat van de Maastreechter Staar, een pianoconcert door een broer van leraar Nederlands Harry Prick en natuurlijk ook het optreden van de hypnotiseur die Albert van Dort stijf als een plank met het hoofd op de leuning van een stoel en met de voeten op de leuning van een andere liet liggen, hem een liedje uit zijn kindertijd liet zingen en hem tenslotte na het geven van de opdracht die Jo Hoen al genoemd heeft, weer wakker maakte. Ik weet nog dat voordat die voorstelling van de hypnotiseur begon, iedereen gevraagd werd de handen met ineengestrengelde vingers boven het hoofd te houden waarna sommigen dan hun vingers niet meer los konden krijgen totdat de hypnotiseur een teken gegeven had. Ik was vast besloten niet toe te staan dat iemand macht over mij zou hebben. Ja, hypnose werkt alleen wanneer je dat zelf wilt, maar dat wilde ik dus niet. Albert van Dort  had astma en zag er breekbaar uit. Ook astma had pater Mulders die Frans gaf en speciale astmasigaretten rookte waarvan hij de een met de ander aanstak.

 

Over het dagelijks leven herinner ik mij dat we vroeg opstonden, ons wasten boven een waskom, ons aankleedden, ochtendgymnastiek deden op de cour onderleiding van pater Schram,  daarna in rijen naar de kapel gingen voor de ochtendmis en vervolgens naar de refter. Na het ontbijt volgde de ochtendstudie en het klassikaal onderricht. Onderbroken door het speelkwartier. ’s Middags opnieuw enkele uren klas, waarna om 16.00 uur een broodmaaltijd met meestal stroop. Daarna was er vrije studie en om half acht een avondmaaltijd met vaak een als toetje een waterige vruchtensoep. De dag werd afgesloten met lof of vespers als ik me goed herinner. We deden ook corvee, o.a. vegen van gangen of klaslokalen. Soms was er werk op het land, aardappelen rooien of in de boomgaard werken.

Van de middagmaaltijden herinner ik mij de op gelijke toonhoogte vanaf de kansel voorgedragen lezingen en het getik van bestek. Ik had uitgevonden dat het zijn nut had een boterham van het ontbijt te bewaren voor het middagmaal want dan kon je brood met jus eten. Nu, dat idee vond ruime navolging met als gevolg dat de kok bij de overste ging klagen dat er zoveel jus gebruikt werd. Toen was het gauw gedaan met dat initiatief. Van die refter herinner ik mij dat wanneer je de refter binnenkwam, in de linkerhoek van de overliggende zijde de kansel stond met daarnaast, onder de ramen waardoor je naar buiten keek en waarlangs soms zwervers liepen om een maaltje te krijgen, stond de paterstafel en haaks daarop aan de rechterkant de broederstafel. Aan de rechterkant was ook de toegang naar de keuken waar je als je keukendienst had het eten haalde dat je moest uitdelen. In de keuken was ook een afwasmachine waar je na het eten de borden en dergelijke mocht plaatsen. De tafels voor de leerlingen stonden in de binnenruimte van de refter. Ik meen dat de tafels van de paters en broeders op een verhoging stonden als uitdrukking van de gezagsverhouding, maar dat kan fantasie zijn. Ik gunde het de paters best maar ik vond het altijd wat vreemd dat de paters het lekkerste eten  kregen, de broeders iets minder en wij het minst. Erg is dat natuurlijk niet en het is ook allemaal wel te begrijpen, maar het was alleen zo anders dan dat ik op grond van mijn opvoeding thuis had verwacht. Als je in de refter bediend had, had je het geluk dat je ook van dat lekkere eten mocht genieten.

 

Al schrijvend zie ik steeds meer beelden terug, maar zoals ik al schreef, het is moeilijk om ze allemaal in een zinvol verband te plaatsen. Ik wil alleen nog een uitzondering maken voor de godsdienstlessen. Er werd een boek gebruikt met daarin vragen over wat je als goed christen wel en niet mocht doen. De bedoeling was ons geweten te helpen vormen. Een vraag die mij altijd is bijgebleven was: “Als iemand duizend gulden steelt, mag je hem dan doodschieten”. Het antwoord was nee, maar we maakten een uitzondering; als een dief er vandoor ging met duizend gulden van een heel zielig, oud vrouwtje, dan mocht het wel, vonden we.

Pater Rientjes stelde het erg teleur dat ik de zomervakantie van 1954 niet mee op kamp wilde, omdat ik besloten had na de vakantie niet meer terug te komen. Later heb ik hem nog eens terug gezien in het Missiemuseum in Bergen Dal bij Nijmegen. Hij toonde zich erg geïnteresseerd in de cultuur Indianen maar zelf had hij nooit Indianen ontmoet. Hij maakte een enigszins trieste indruk op mijn vrouw en mij. De klas waar ik ingezeten had was hem bijgebleven als een slecht jaar.

Ik kan niet zonder genegenheid en mededogen terugdenken aan al die idealistische mensen die het allemaal zo goed bedoelden, zich zoveel opofferingen getroostten, maar in een wereld leefden waarin al de waarden waar zij zo stevig in geloofden, ter discussie werden gesteld.

 

Met belangstelling lees ik in de bijdragen aan de website Ravensbos over de ervaringen van andere oud-seminaristen en over hoe het met hen verder is gegaan in het leven. Daarom hierbij enige informatie over hoe het mij vergaan is na het verblijf op Ravensbosch. In Amsterdam ben ik naar het St. Ignatiuscollege gegaan. De overgang kostte mij een doublure van de vierde klas. Na het eindexamen gymnasium A in 1958 moest ik in militaire dienst waar ik in de vrije tijd een schriftelijke cursus aanvullend onderwijs volgde om in 1960 het diploma Staatsexamen gymnasium B te behalen. Ik heb altijd uit Nederland weggewild met de bedoeling er nooit meer terug te komen. Ik vond Nederland burgerlijk en bekrompen. Tijdens de schooljaren las ik alles wat ik in de bibliotheek kon vinden over Afrika. Houtvesterij, tropische landbouw e.d. waren de richtingen waaraan ik dacht, al werden, vreemd genoeg voor iemand die naar de tropen wilde, ook klassieke talen, filosofie en wiskunde overwogen. Uiteindelijk is het geneeskunde geworden. In 1970 gingen mijn vrouw en ik met twee kinderen, meisjes van nog maar 4 en 1 jaar oud, naar Oeganda waar we samen twee jaar voor Memisa gewerkt hebben. Mijn vrouw was zwanger van onze zoon die enkele maanden na onze aankomst geboren werd. We zijn uiteindelijk toch niet in Afrika gebleven maar hebben, - met uitzondering dan van een jaar in Nigeria (1977/1978) waar ik gewerkt heb op de afdeling neurologie van het universiteitsziekenhuis van Ibadan en waar onze jongste dochter geboren werd - , verder altijd in Nederland gewoond. Mijn vrouw heeft gewerkt als jeugdarts, ik als neuroloog. Onze kinderen zijn katholiek gedoopt maar hebben geen binding meer met de katholieke kerk. We hebben inmiddels acht kleinkinderen. Hoewel wij zelf nog  elke week naar de kerk gaan en bidden voor en na het eten, is natuurlijk ook onze kijk op godsdienst en kerk veranderd. Of ik nu wel of niet geloof, is voor mij niet zo belangrijk, wel dat ik me verbonden voel met mensen voor wie dat geloof een bron van hoop was en voor wie het de zin vormde van hun leven. “Dieu ne répond pas”, schreef Antoine de Saint-Exupéry al.

Het gevoel van het gemis van Afrika, vooral vroeger erg sterk, heb ik enigszins kunnen verminderen door het bijhouden van het Runyankore, de taal van de Banyankore bij wie we in Oeganda gewerkt hebben. De hang naar avontuur heb ik kunnen bevredigen door het samen met onze oudste dochter parachute lessen nemen bij Paraclub Icarus in Hilversum, als privé-vlieger met twee vliegmaten van Vliegclub Flevo tochten te maken naar onder andere Finland, Polen en Schotland en motortochten te maken met de Health Angels. Het vliegen is inmiddels afgelopen, de motor is verkocht, beide heupen zijn vervangen door kunstheupen. Mijn vrouw is vrijwilligster bij de Voedselbank Zaanstad die zij heeft helpen oprichten en zelf doe ik nog wat werk voor de afdeling neuroanatomie van de VU. Al met al mogen we zeggen dat we gelukkig met elkaar zijn en met onze kinderen en kleinkinderen. Ben erg benieuwd naar júllie verhalen. Tot ziens op 13 mei.

 

Henri van de Werd

 

 

Naschrift:

Als antwoord op vragen van Jo Hoen het volgende.  Harry G. M. Prick is overleden op 14 september 2006, de dag na zijn tachtigste verjaardag en slechts enkele maanden nadat bij hem een kwaadaardige ziekte was vastgesteld. De uitvaartmis op 20 september in de H.Matthias kerk in Maastricht was indrukwekkend.

 

Toen Harry als directeur van het Letterkundig Museum in Den Haag werkte, werden om de paar weken bij de balie enkele flessen wijn voor hem afgeleverd door iemand die zijn naam niet wilde noemen. Steeds nieuwsgieriger wordend kreeg Harry een medewerkster zover dat zij de gulle gever volgde en achter zijn identiteit kwam. Het bleek Léon Janssen te zijn, groot bewonderaar van Prick, van wie hij les had gehad op het Collegium Carolinum. Léon Janssen, directeur van een bank, was volgens Harry een echte Bourgondiër die kon genieten van goed eten en drinken. Harry raakte bevriend met Léon en diens vrouw Hélène. Léon heeft de foto’s gemaakt die staan afgebeeld op blz. 653 van het eerste deel van de door Harry Prick geschreven biografie van Lodewijk van Deyssel. Het zijn de foto’s van het huis in Houffalize waar Van Deyssel een tijd gewoond heeft.

In zijn antwoord op een brief van mij waarin ik hem geluk wenste met het verschijnen van het tweede deel van de biografie van Van Deyssel en waarin ik Léon Janssen noemde, schreef Harry dat Léon Janssen op 23 februari 1997 is overleden, de nacht na zijn eenenzestigste verjaardag. De allerlaatste woorden van Léon waren dat hij zeer voldaan terugblikte op de viering van zijn verjaardag. Terstond daarna was er kwestie van hartstilstand. Het hart van Léon functioneerde al een tijd niet voldoende, maar hij wuifde dat luchtig weg. Hij was een enorme levensgenieter. Aldus Harry Prick. 

 

 

 

 

Pieter van Velzen

                                                                                                                        

 

SiteLock