Persoonlijke bijdrage van:

Willem Theloosen

ROEPING

 

Komt van het werkwoord roepen.Ja toch! Wanneer het roepen beantwoord wordt, is er contact tussen twee personen en communicatie.

Ik had grote twijfels over mijn roeping,60 jaar geleden. Stel je voor Wimke Theloosen naar het “Simmenarie “, geen haar op mijn hoofd die daar aan dacht. Ik kwam uit een warm nest,had vele vriendjes en vriendinnetjes,en was nog al avontuurlijk ingesteld,door mijn vele bezoeken aan de boerderij van mijn grootouders van moeders kant, een gemengd bedrijf ,van ca 30 hectaren,waar Ome Toon en Ome Rinus hun roeping volgden.

Welleswaar noodgedwongen, omdat Ome Toon het liefst veearts was geworden,maar zijn broer een echte boer was. Heel mijn jeugd heb ik daar doorgebracht,na schooltijd en vacantie. De boerderij en omgeving lag in 1944-1945 in het oorlogsgebied rondom Arnhem. Allerlei wapentuig lag er verspreid en ik was een echte verzamelaar van schiettuig en minutie. Toen ik bij de demontage van een stuk oorlogstuig bijna mijn vingers kwijt was, ben ik er mee gestopt. Wanneer mijn grootouders mij zagen aan komen,op de fiets van mijn moeder,uiteraard met houten klossen op de trappers,dan riepen ze :”Lucifers weg, daor kum Wimke aon”. Dit deden ze niet zonder reden,omdat ik van jongs af aan gefascineerd was door vuur.

Om helemaal eerlijk te zijn,die fascinatie deelde ik ook met mijn neven  en mijn vrienden, maar ik was wel hun leermeester. Wat we wel in brand mochten steken,was het strooisel dat achter bleef op de akkers,wanneer het koren gedorst werd. Dat liep eens totaal uit uit de hand,omdat we geen rekening hadden gehouden met de windrichting,waardoor een klein korenveld van de buren ook in vlammen opging. Ik de oudste kreeg de schuld,maar het werd me vergeven ,omdat een jerrycan vol benzine in een aanpalende droge sloot verborgen lag,en met een luide knal en vuurwerk de lucht invloog. Een overblijfsel van de oorlog,De waarheid gebood te zeggen, dat die jerrycan met voor bedachte rade door mij in die in die sloot was verstopt.

Ik had er ook een handgranaat in kunnen verstoppen, maar dat durfde ik niet aan. U vraagt zich natuurlijk af, wat heeft dat allemaal met roeping te maken? Helemaal niets natuurlijk. Eigelijk wilde ik het liefst toneelspeler worden. Dat had alles te maken met veelvuldig bezoek van acteurs en actrices van toneelgroep “Theater “uit Arnhem,die op de boerderij producten kwamen kopen,zoals eieren, melk, groente, fruit en vlees.

Daar waren beroemde namen bij,z oals Rob de Vries en Ton Lensink, Bernard Droog en natuurlijk Hans Tiemeijer een grote forse man. En die laatste las ons voor uit een boek van Ome Toon, met alle kruistochten er in en prachtige gravures van Gustaaf Doree. We luisterden ademloos. Acteur dus!!

“Allemaal armoe jungske” zei opoe, en die kon het weten,want de heren vonden alles te duur. Wel mijn eerste contact met  theater.

Vanaf de vierde klas op de lagere school kregen sommige jongens franse les,als voorbereiding voor het hogere onderwijs. Al mijn vrienden zaten ook in dat clubje van ca 15 jongens. Daar kwam natuurlijk ook ter sprake,wat je wilde worden. Nou,de animo om priester te worden was erg hoog. Van die 15 hadden zeker 5 of 6 het plan om naar het seminarie te gaan.Ik wist het nog niet. Zeeman leek mij ook wel wat, of boswachter. Maar toen we in de zesde klas zaten werd er vaak over gesproken. Joop Molenaar,a.s.OMI, woonde bij ons in de buurt,en via zijn broer Eddy kwam ik in contact, en hij vertelde mij

over zijn opleiding bij de Paters Oblaten van Maria in Valkenburg. Vincent van de Loo, een broer van mijn vriend Paul, studeerde daar ook. Paul had ook al eens door laten schemeren,dat hij” roeping” had. En ja, er bleken nog anderen met het zelfde idee te lopen. Uiteindelijk gingen er 6 jongens naar een seminarie. En het werden er 7,want ik sloot me ook aan. Ja,en toen stond Pater de Grauw al vlug bij ons op de stoep en was er geen ontkomen aan.

Ik kreeg allerlei informatie, folders,boekjes om eens door te lezen. Ondertussen ging hij met mijn vader naar een rijke katholiek (handelaar in oud ijzer) en met veel zilverlingen kwam hij weer terug. Glunderend:”En wat dacht je er van, Wim?” Ik aarzelde met mijn antwoord, waarop mijn vader zei: ”doe het nu maar” en ik was overgehaald. De papieren zouden opgestuurd worden, en ook verdere informatie. Natuurlijk bracht ik mijn vrienden op de hoogte.

Die reageerden erg verbaasd en konden er met de pet niet bij. Uitgerekend jij!! Op mijn reactie van:  “En hij dan” Ja,hij is misdienaar, en hij ook.

Uiteindelijk gingen drie jongens naar Ravensbosch. Paul v.d.Loo, Henry Polman, en ik. En enkele jaren later zaten we met zeker 10 mensen uit Elst in Valkenburg, en als we Lent(Gem.Elst) er ook bij rekenden, dan zaten we wel met 20 studenten alleen uit de gemeente Elst.

Het begin was  voor mij erg moeilijk, dat idiote reglement, die beknotting van de vrijheid. Was dit nu “ roeping”? Waar ben ik aan begonnen? “Roeping” En de antwoorden dan? Maar de vriendschap met andere lotgenoten maakte veel goed, en je wende aan het regime van De Grauw, zeker niet mijn favoriet. Ook het leren ging me goed af. Behalve wiskunde! Ik snapte er niets van. We kregen wiskunde van Pater Bauhuis, wiens bloed ik wel kon drinken, want hij heeft me verschillende keren voor Piet Snot voor de klas laten staan, met wiskundige vragen. Natuurlijk bracht ik er geen steek van te recht. Hij was wel een kei in sporten, en voetballen kon hij als de beste, maar als ik de kans kreeg trakteerde ik hem op een tackle.

Later leerde ik hem beter kennen als ziekenpater. Hij verzorgde je heel goed en was heel alert op koorts en andere ziektebeelden.

Uit medelijden kreeg ik later beurtelings een 2 en 3 voor algebra en meetkunde en heb ook nooit een proefwerk gemaakt. Met meer paters had ik een goed contact, zo heb ik honderden courtjes gelopen met pater Uiterhoeve, een echte Zeeuw, al zou je dat niet zeggen, wat betreft zijn postuur. Pater Voogd,die me kennis liet maken met de klassieke muziek, en mijn eeuwige liefde voor de oude componisten. Ik zal nooit die middag vergeten,waarin uit enkele houten kastjes, waarin spoelen ronddraaiden en celluloid zich om schijven wikkelde, prachtige klanken kwamen. Dat mirakel was in elkaar geflanst door Pater Lempens, meen ik en dat het zo goed functioneerde had te maken met het weer die dag. Het was niet vochtig en de zon scheen en haar stralen werkten mee aan het grote wonder wat we aanschouwden en waar we vol verwondering naar luisterden. Pater Schram, die ons in Wijlre kennis liet maken met Limburgse vlaai. Pater Willie Tromp uit Hatert, jarenlang mijn biechtvader. Die het ook op zich nam, om mij sexuele opvoeding te geven, doch daar had ik door mijn jarenlange verblijf op de boerderij, geen behoefte meer aan. Alleen ons taalgebruik verschilde wel. Dan was er ook nog Pater Rientjes, hij gaf engelse les, en door zijn friese afkomst had hij geen problemen met de uitspraak, maar wij wel. Hij was ook hopman bij de verkennerij en fanatiek. We werden meegevoerd naar Idar-Oberstein in de IJffel, daar lagen de edelstenen voor het oprapen. Ook het slijpen werd ons gedemonstreerd. Ik had goed toegekeken en besloot de opgedane kennis thuis op de elektrische slijpmachine in de praktijk te brengen, met als gevolg een uit elkaar spattende agaat en mijn vingers flink ontveld.

We gingen ook op kamp bij paal 8 op het mooie Terschelling. Daar maakten we voor het eerst kennis met het fenomeen Hudo (houdt uw darmen open) Dat was een diep gat in een duinkom, waarover een constructie bevestigd was van aangespoeld hout, met in het midden een opening, waarop je ging zitten en je ontlasting de vrije loop liet. Het was meen ik ook afgezet met stukken zeil, voor een beetje privacy. Ik zal niet de avond vergeten dat ik op de Hudo zat en een Latijnse psalm zong, waarvan ik de melodie zo mooi vond. De woorden van die psalm ben ik nooit vergeten: “ In Manus tuas Domine, commendu spiritum meum.” s’Avonds bij het kampvuur vond hij het nodig, om het uitgebreid te vertellen. Iedereen lag in een deuk, doch er werd geen naam genoemd. Ik heb me later afgevraagd, wat hij daar bij die Hudo te zoeken had.

Natuurlijk trok mijn hart ook naar de boerderij, waar pater Jan Kuilboer de riek zwaaide. Een echte westfries met zijn blonde kuif. Broeder Mensink was dacht ik, zijn eerste assistent, of was het broeder Jungslaeger? Pater Tillemans, de heeroom van Loekie Linnartz die wel veel werk maakte van zijn mis, die dus ook langer duurde dan bij anderen. Er was een pater,wiens naam ik niet meer weet,waarbij iedereen graag wilde dienen, omdat hij als een sprinter door de dienst flitste Pater Boers, bij wie niemand misdienaar wilde zijn, vanwege zijn geur van heiligheid. Man,wat stonk die man uit zijn mond. Pater Keizer, die uit de missie van Ceylon kwam en prompt mijn naam veranderde in Bill. Ook kwamen er veel missionarissen langs, om te vertellen over hun werk in verre landen. Afrika en Ceylon leek mij wel wat, lekker warm. Ook kwam er wel eens een bisschop op bezoek, dat was feest, met extra lekker eten, glaasje cider, en s’avonds een filmvoorstelling in de aula. Ook bij het bezoek van de Generaal-Overste was het helemaal een groot feest, ook bij jubilea van paters en broeders. Ik kan me nog herinneren dat broeder Urlings zijn jubileum vierde 70jaar in t klooster??

Maar mijn meeste aandacht ging uit naar de komst van missionarissen uit de koude streken in het hoge Noorden en hun dappere bewoners.

Indianen en Eskimo’s. Echte natuurvolken, voortdurend in strijd met de barre natuur van ijs en extreme kou.

Het werd helemaal te gek, toen een Belgische missionaris buiten op de cour een demonstratie gaf met een hondenzweep. Hij legde een lucifersdoosje op zeker 6 meter afstand, zwaaide vervaarlijk met de zweep naar achter en sloeg het doosje dwars door midden. Ook het eten bij de Eskimo’s trok mij wel aan. Elke dag vlees. Dat waren we zeker niet gewend op Ravensbosch. Het volgende  haalde mij helemaal over. Ik had toen s’winters erge last van wintervoeten.

Hele erge jeuk tussen mijn tenen,die uiteindelijk blaasjes kregen en uiteindelijk vol rode uitslag zaten. Ik vroeg of dat bij de indianen en Eskimo’s ook voorkwam. ”Zeker”antwoordde hij:’Daar hebben ze een uitstekende remedie voor” Natuurlijk vroeg ik hem wat de oplossing was.

Hij keek even om zich heen of er niet te veel jong grut bij stond en toen gaf hij mij de oplossing. ”Ge moet bij het krieken van de dag over uw blote voeten plassen en meteen daarna met blote voeten door de sneeuw hollen, vervolgens spoelt ge uw voeten af met koud water en droogt ze stevig met een ruwe handdoek. Dan de sokken en de schoenen aan. Mits natuurlijk, pater Prefect er toestemming voor geeft. Ik keek naar pater Uiterhoeve en die knikte, dat het goed was.”Maar maak er geen circus van” Dus de volgende morgen vroeg, ging ik in mijn korte broek en trui naar buiten, naar het rozenkranslaantje, deed vlug mijn schoenen en sokken uit en pieste over mijn blote voeten en toen als een gek door de sneeuw met mijn sokken en schoenen in de hand, en vlug naar de schoenenzaal om mijn voeten af te spoelen. Ik had geen gevoel in mijn voeten, dat kwam later. Sodeju!! Maar ik heb nooit geen wintervoeten meer gehad. Na deze heldhaftige volkomen onbekende therapie, gingen de luiken op de slaapzaal zachtjes dicht. Voieurs!

Ook had ik eczeem aan mijn handen, vooral met schraal weer. Pater Tromp, mijn biechtvader had daar een biologisch middel voor: ”Notensap”. De schil van walnoten en water bewaarde hij in een grote glazen stolpfles. Jarenlang, volgens mij. Die oplossing kreeg uiteindelijk een donkere, geheimzinnige kleur. Na de biecht bespraken we mijn probleem en kreeg ik een klein scheutje van dat notensap in de kom van mijn handen, om ze in te smeren. Het hielp,want de exeem verdween onder die laag van zwarte smurrie.,maar zodra Pater Janson, de nieuwe prefect, mijn zwarte (klauwen) zag, stuurde hij me naar de dichtstbijzijnde wasgelegenheid om mijn handen te wassen. Daar kwam veel vim bij te pas, wat natuurlijk funest was voor het genezingsproces van mijn exeem.

Natuurlijk was er naast discipline en studie ook tijd voor cultuur. Pater Voogd richtte een jongenskoor op, Pater Palm regisseerde toneel,o.a. de klassieker: Arsenicum en oude kant, waarin de twee oude damesrollen, perfect vertolkt werden door Piet Wijs en Gerard van der Beuken. Jene van Moorsel schreef ooit een parodie op “Willem Tell” Ik mocht toen de proloog doen. Gekleed als een dikke, bolle Engel, moest ik toen voor het voetlicht treden. Ik heb er toen zonder zijn instemming en afspraak, een ludiek gebeuren van gemaakt. Ik had me van te voren verborgen op de balustrade welke boven het toneel

hing. Terwijl iedereen zijn plaats zocht in de aula, maakte de acteurs zich klaar voor hun optreden. Alleen waar was Wim, waar was de engel? Men besloot het toen maar zonder engel te doen. Op het moment dat het toneeldoek open ging, klom ik langs een touwladder naar beneden en las de proloog voor. Het publiek in de zaal wist niet beter,of het hoorde zo. Ik weet niet meer, hoe je reageerde Jene. Was je kwaad, of kon je er om lachen?

Ook kregen we op bepaalde dagen een filmvoorstelling. Heel wat films van de Dikke en de Dunne en ooit een prachtige film: Grazige weiden” een gezongen vertolking van het scheppingsverhaal en meer uit het oude testament. Vertolkt door negers en negerinnen, en prachtige negerspirituals. Vol humor. Opvallend was, dat God d e Vader en engelen blank waren.

De tremesters en vacanties wisselden elkaar af, en ik begon me echt thuis te voelen op Collegium Carolinum. We hadden een hele fijne klas, welke gelukkig al die jaren bij elkaar bleef, al werd het aantal klasgenoten allengs minder. Heel veel namen van die klas zijn voor altijd opgenomen in mijn geheugen.

Ik denk ook dat onze klas als eerste een reünie georganiseerd heeft op Ravensbosch. Een prachtig weekend,al weer zo lang geleden.

Gelukkig zie ik op 13 mei weer enkele van mijn klasgenoten terug. Ik verheug me er op.

De beginjaren onder het regime van Overste De Grauw en dat gruwelijke reglement waren moeilijk. Vooral de maandag! Dan werden de tekortkomingen op dit reglement uitvoerig besproken, en overtredingen werden per persoon af gehandeld. Mijn naam werd vaak genoemd. Ook op de diverse rapporten kwamen mijn tekortkomingen op het gebied van Gedrag, Orde, Netheid, en Vlijt aan de rechterkant in beeld, onder opmerkingen. Thuis keek mijn vader eerst naar die opmerkingen, las ze vaak niet eens, smeet het rapport op de tafel en beende met grote passen uit de huiskamer naar de werkplaats achter ons huis. Daar zette hij de machine welke het meeste lawaai produceerde aan, om zich af te reageren. Heel zelden stond er ook wel eens een positieve opmerking, dan ging mijn moeder naar de werkplaats, zwaaiend met mijn rapport, zette de machine af en hield mijn vader het rapport onder zijn neus, zonder iets te zeggen. Mijn vader las dan, wat de overste geschreven had. Ja,bromde hij dan, maar zijn gedrag dan. Kijk ook eens naar de rapportcijfers, zei mijn moeder. Die waren meestal voldoende, al werd het totaal van de cijfers wel erg beïnvloed door de 2 en 3 voor Algebra en Meetkunde. Om nog even op dat gedrag terug te komen. Dat heeft niemand bij me kunnen veranderen. Speels en onbekommerd leefde en leef ik.

Nog steeds,en dat blijft zo. Niets en niemand krijgt mij er onder. Mijn lijfspreuk. En reken er op dat ik in mijn leven het een en ander heb mee gemaakt.

Maar ik ben dit jaar al weer 40 jaar getrouwd met Bernadet, heb een pracht zoon, Jeroen en een eigen huisje in het mooie IJsselstein(U)En wat dat gedrag betreft, Bernadet was de dochter van een drs.Pedagogiek en een onderwijzeres. Ook zij hebben mijn gedrag maar met mate kunnen beïnvloeden. Wel heb ik vader diverse vloeken en uitdrukkingen geleerd, die in zijn dagelijks taalgebruik niet voorkwamen. Ook de borrel leerde hij waarderen. Heb een fijne schoonvader aan hem gehad Hij ruste in vrede. Een maand geleden is moeder overleden, 91 jaar.

Een van de grootste gruwelen in het reglement was voor mij het Corvee. U herinnert zich dat ongetwijfeld. Gangen, trappenhuizen, toiletten, klaslokalen, studiezalen, alles moest schoon zijn en blinken. Ik zelf vond, dat ik vaak de ondankbaarste taken op me kreeg. Neem nu het kleedlokaal voor de sporten. Die zweetlucht, modder en vocht op de vloeren, soms grote pollen gras van het voetbalveld. En allemaal handwerk, niks geen stofzuigers en boenmachines.

En waar ik het meest een hekel aan had, dat was de afwas in de keuken na het eten. Vreselijk vond ik dat. Ik schepte er een groot genoegen in, om de kratten met bestek van een zekere hoogte in de lege afwasbak te kieperen. Een heerlijke symfonie van rondwentelende lepels, messen en vorken.

En dan de gloeiend hete kraan er op en die metaalmassa met een bezemsteel door elkander roeren om de vette hap te verwijderen. Vooral het bestek van George en Theo Janssen uit Harderwijk had extra aandacht nodig, want zij gebruikten bij alle maaltijden grote scheppen sambal, zelfs in de soep. Toen ik trouwde met Bernadet, heb ik haar meteen verteld,dat ik alles in huis wilde doen, maar absoluut geen afwas. Tot mijn grote vreugde was dat geen punt voor haar, en toen Jeroen groter werd, schepte hij er een groot genoegen in, om samen met zijn moeder af te wassen. Mijn taak in onze keuken beperkte zich tot koken, een plezante hobby. Thuis ben ik de chef in de keuken, ik kook elke dag.

Uiteindelijk kreeg ik taken opgelegd, die niets met water te maken hadden. Geen schrobben, dweilen, afwassen, omdat ik in het bezit was gekomen van een briefje van onze huisarts uit Elst, een persoonlijke vriend van mijn ouders. “In verband met het exeem van mijn patient W.J.Th.Theloosen is het niet goed dat hij veelvuldig met vocht in aanraking komt, ook niet met rubber handschoenen aan.” Met vriendelijke groeten, Dr.Jaspers huisarts te Elst(O.B.) Vervolgens kreeg ik de opdracht om de toiletten van W.C-papier te voorzien. Het was voor mij een uitgelezen kans om uitgelezen kranten  uit de recreatiekamer van de paters en broeders te lezen, alvorens ze voor te bereiden op hun belangrijke werk op de toiletten. Ik settelde me dus in het keldertje onder het laboratorium, en daar vouwde ik de kranten en tijdschriften tot handzaam A4-formaat en sneed die vervolgens tot kleine pakjes W.C.Papier, die in houten bakjes op de W.C terecht kwamen. Wel werd mij op het hart gedrukt alle advertenties van dameslingerie uit de kranten te verwijderen, omdat deze een gevaar zouden betekenen voor de studenten. Je begrijpt dat ik daar geen moeite mee had,vooral toen ik merkte dat er leerlingen waren, die interesse hadden voor deze plaatjes, en ze gaven me de opdracht, om de advertenties zo compleet mogelijk te verwijderen en te bewaren. Later kwam ik er achter dat het ook een gewild ruilmiddel was, om mijn postzegels op voorraad te houden. Ooit zat er een exemplaar tussen van De Lach. Die heb ik zelf gehouden, dat snappen jullie wel. Dat bleef natuurlijk niet goed gaan. Verraderswerk of afgunst, ik weet het niet. Of het had te maken met de komst van Pater Kusters, de nieuwe overste en de aanleg van nieuw sanitair met echt wc-papier. Ja,hij was mijn favoriete pater, die door zijn werk in Maastricht onder de arme arbeiders, met beide benen op de wereld stond. Een geweldige harde werker, met heel veel nieuwe ideeën en hervormingen. Alles werd geleidelijk aan gemoderniseerd. Ik vond hem een van de fijnste mensen, die ik in mijn leven ben tegengekomen. Wat een verschil met zijn voorganger. In een mum van tijd veranderde hij het huis in een Thuis.

Ander meubilair in de klassen, fijne douches en toiletten, ook de recreatiezaal werd aangepast. En de keuken en refter. Ik meende dat hij ook dames in dienst nam als huishoudelijke hulp, hai nymphai, en deze dames namen het betere schrobben en boenen voor hun rekening. Gelukkig maar.

 

Ook kwamen er leken lesgeven, Drs.Zijlstra en de legendarische Harry G.M.Prick. Eerstgenoemde voor de klassieke talen en de laatste leraar nederlands.

Hij bracht ons in contact met de Nederlandse letterkunde en natuurlijk de Tachtigers, met als hoofdfiguur Lodewijk van Dijssel. Zijdelings werden de anderen ook behandeld in zijn lessen. Maar hij had vele eigenaardigheden over genomen van zijn grote leermeester. Hij bracht wel eens voorwerpen mee naar de klas, als relikwieën werden ze behandeld. Zo ook kwam hij eens in de klas met de wandelstok van Lodewijk van D. Hij ging even de klas uit voor een sanitaire stop, en Charles Kappen had de euvele moed om dat ding ter hand te nemen en mee te paraderen voor de klas. Uitzinnig van woede was

Mnr.Prick. Hij woonde meen ik in Vaals en kwam met een Vicky (Victoria)bromfiets naar school. Op een dag kwam hij veel te laat op school, spierwit en bezweet kwam hij het lokaal binnen en hing zijn lange lederen jas aan de kapstok. We maakten ons wel erg ongerust, want hij kon nog amper ademhalen.

Wat bleek nu. Mnr.Prick was onderweg, bergopwaarts, gepasseerd door wielrenners op racefietsen. Dat vond hij buiten proporties, zodat hij op een volgend ontmoetingspunt ruilde van vervoermiddel en zijn tocht vervolgde op de racefiets van de stomverbaasde wielrenner. Ik weet niet meer of hij lang gebruik gemaakt heeft van die manier van vervoer. Ook kon hij smakelijk vertellen over zijn ontmoetingen met Godfried Bomans in Haarlem, en las ons voor uit diens werk: Erik en het klein insectenboek” De komst van beide gediplomeerde heren had alles te maken met de veranderingen die er aan kwamen,wat betreft de opleiding. Al die jaren vooraf kregen wij les van goedwillende paters, waarvan niemand de bevoegdheid had. Er werden dus ook een soort examens afgelegd, of je in aanmerking kwam voor gymnasiale opleiding buitenshuis, n.l.Heerlen. Daardoor kwam er ook een scheiding in de klas. Jongens, die toegelaten werden, fietsten elke dag naar Heerlen, heerlijk los van regels en zeden, want naar mijn weten is er niemand van gewijd.

Al kan ik me hier ook in vergissen. Ja, en degenen welke achterbleven, werden aan hun lot overgelaten. Die indruk had ik, en anderen misschien ook.

Ik heb het hun nooit gevraagd. Wij werden nu ook meer ingezet in werkzaamheden op de boerderij, boomgaard, park, kwekerij. Ook op de klassenlijsten komen onze namen  niet meer voor. Alleen de alpha’s en betha’s werden nog vermeld. Ik zelf vond die veranderingen niet erg, omdat ik toch al geen echte serieuze student was, meer een boemelstudent. Ik leerde de vakken, welke me interesseerden, en daarvoor deed ik ook extra mijn best. Ook werkte ik graag op de boerderij. Die stond toen onder leiding van Men.Laeven, Ome Andree en zijn lieve vrouw. Heel wat uren heb ik met hem doorgebracht, in zijn witte huisje aan de andere kant van de cour. Ook toen duidelijk werd, dat het woordje ”Roeping“ duidelijk een andere betekenis kreeg, dan waarvoor het bedoelt was, had ik een uitstekende raadgever aan hem en zijn vrouw. Met hen kon ik over mijn twijfels praten, en zeker op een andere manier dan met de paters. Ook met mijn vrienden en klasgenoten heb ik er nooit over gesproken. Op het laatst wel met Henry Polman, die ook vraagtekens had, over doorgaan of stoppen.

De familie Laeven stelde voor om eens met Fons te gaan praten. Pater Kusters was hun neef. Na lang aarzelen heb ik dat dan ook gedaan. Gelukkig maar.

We hadden een fijn gesprek samen. Hij had heel veel begrip voor mijn problemen,maar moedigde mij wel aan om het nog enige tijd aan te kijken en de paasvakantie nog te vieren, thuis in Elst. Dan kon ik alsnog een besluit nemen. We spraken ook nog ,of broeder worden niets voor mij was,omdat ik een gewaardeerde kracht was op de boerderij en boomgaard en akkers. Daar voelde ik niets voor. Ik wilde vrij zijn en niet gebonden aan regels en wetten.

Hij wist ook dat ik vroeger altijd graag naar de Eskimo,s wilde. Hij kon zich dat niet voorstellen en vroeg me ook waarom,juist die Eskimo,s.

Ik vertelde hem toen ,dat wanneer je bij dat volk te gast was,de vrouw des huizes tot plezier aan de gast werd aangeboden ,en het weigeren van dit geschenk een belediging was, welke met de dood bestraft werd. Hij keek me ongelovig aan en begon toen enorm te lachen. Ik zat er beteuterd bij, want ik meende het bloedserieus. Toen hij uitgelachen was voegde ik er nog aan toe,dat je dan ook weinig keus had en je rustig de gelofte van zuiverheid kon vergeten. Opnieuw een lachsalvo en van de weeromstuit kon ik me ook niet meer houden en lagen we allebei dubbel van het lachen..

We besloten, om nog op vakantie te gaan. Dat heb ik toen gedaan,en er na weer terug op Ravensbosch. Maar toen het bericht kwam,dat onze maat genomen moest worden voor de zwarte kleding van het noviciaat in Sevenum, krabde ik eens achter mijn oren, omdat ik toch een besluit genomen had en mijn ouders niet verder op kosten wilde jagen. Ik overlegde met Pater Kusters en hij smeedde het volgende plan. We zouden met klasgenoten gaan fietsen naar een Waals klooster van de Oblaten. Ik zou dan een eind mee rijden en dan ineens tot de ontdekking komen, dat ik mijn paspoort vergeten had en ik dus terug moest. Ik had mijn koffer al stiekem gepakt en mijn fiets zou na gestuurd worden. Zo is het gegaan, dus zonder afscheid te kunnen nemen van mijn vrienden, ben ik uit hun zicht verdwenen. Pater Kusters heeft mij toen naar Sittard gebracht, en mijn ouders waren door hem ook op de hoogte gebracht. Later nog gevolgd door een hele mooie brief, gericht aan mijn ouders,welke ik jarenlang bewaard heb,maar die ik 3 jaar geleden samen met de wederzijdse correspondentie tussen mij en familie en vrienden,vernietigd heb. Na een gesprek met mijn zwager, ook een oud-seminarist, die stervende was aan kanker en ook al zijn correspondentie verbrand had.

.Slechts enkele brieven van jongens die me extra dierbaar waren heb ik nog in mijn bezit. Ook nog al wat foto,s en documentatie van toen heb ik nog,zelfs nog dat verdomde reglement. Dit alles wil ik aan Jozef Hoen geven op de 13de.

Na mijn mysterieus vertrek van Ravensbosch kwam ik weer thuis in de normale gezinssituatiestaat, dat viel me erg zwaar. Mijn vader heeft tot zijn dood in 1969 nooit begrip gehad voor mijn beslissing om te stoppen en liet me vaak weten, dat het weggegooid geld was. De laatste jaren van zijn leven werd onze verhouding beter,en hij kreeg meer begrip voor mijn besluit van 1957, maar we hebben ook heel vaak woorden gehad. Jammer! Gelukkig moest ik in januari 1958 in militaire dienst,eerst bij de hospikken en 12 maanden bij de Garde Jagers in Schaarsbergen, waar ik de verantwoording kreeg over de uitrusting van een geneeskundig peloton,met een complete operatiezaal ter velde. Het was toen de koude oorlog, en inspecties waren de orde van de dag. Ik kreeg dus te maken met voorraden die up to date moesten zijn. En daar zorgde ik wel voor. Voor een doosje aspirine schreef ik een vervoersbewijs en liet me dan door een chauffeur in een Jeep naar een centraal magazijn rijden. Fluitend sloot ik mijn diensttijd af, solliciteerde bij een houthandel, waar ik het tot bestekzoeker bracht. Ik heb toen ook direct afgerekend met mijn vader en alles tot de laatste cent terug betaald, maar het waren centen verdiend door zwaar lichamelijk werk, zoals het lossen van coasters, afgemeerd aan de Rijnkade, volgeladen met hout uit Zweden, Finland en de Archangel. En sindsdien hoefde niemand bij mij te zeuren over zwaar werk, want, dat heb ik daar geleerd. Ik kon toen vertegenwoordiger worden, maar het werd een baan bij het grootste steigerbouwbedrijf van Nederland. Eerst in Lent en later naar Utrecht,waar ik de chef werd over het grootste magazijn, met een 20 mensen in dienst. We leverden toen de steigers aan de grote scheepswerven, zoals Verolme en de NDSM. Ik ben aan boord geweest van supertankers, heb de machinekamer bezocht met zijn ontzagwekkende scheepsmotor en blinkende schroefas. Ik stond ook op de brug en keek dan uit over het immense dek met zijn labyrint van golfbrekers. Ik maakte diverse tewaterladingen mee. En als toetje op de maaltijd vloog ik met een helikopter over de Noordzee naar een booreiland. Dit was wat ik wilde, vrij zijn en pionieren. Kortom, ik had het geweldig naar mijn zin. Daarna kreeg ik de kans om hoofd te worden van de materieeldienst van een groot bouwbedrijf. Omdat de materieeldienst van verschillende bouwbedrijven ging samenwerken,om de kosten te drukken, werd ik overbodig. Ik heb daarna nog drie jaar gewerkt bij een ex-collega, die een eigen bedrijf startte. En toen ontmoette ik weer een andere collega van dat steigerbouwbedrijf, welke ook voor zich zelf begonnen was en bij haar heb ik 16 jaar gewerkt, want ik ben tot en met mijn 68ste doorgegaan. Zij, Winny had een verhuurbedrijf voor rioolbekistingen en damwanden. Ik werd instructeur, die stad en land afreisde om de bedrijven, welke ons materiaal gehuurd hadden, uitleg te geven over de diverse methodes van inbouwen. Ik kwam overal in de Benelux, Frankrijk, Duitsland, Portugal, later naar Turkije, Israel, en de top was mijn werkbezoek aan de Gazastrook, waar we een groot project hadden, dat gefinancierd werd door Saoedi-Arabië en ik ook nog de hand geschud heb met Mister Arafat. Het jaar daar op zat ik in Texas, in Houston. Ja, dat waren geweldige jaren. Ik kijk dan ook met trots terug naar mijn arbeidsverleden. Ik geniet nu samen met Bernadet van mijn oude dag, we fietsen veel, reizen met de trein, we hebben zeker 30 jaar lang gekampeerd, altijd in Frankrijk, en altijd met de tent. Dat ging op het laatst niet meer i.v.m rugklachten. Nu huren we een huisje of chalet, of brengen onze vakantie door in een hotel, ergens in Nederland. Ik zing in een mannenkoor, en daarvoor in een gemengd koor. Bernadet bridget tweemaal per week in clubverband. Ook de museumkaart is bij ons wel besteed. Zo twee tot driemaal per jaar bezoeken we het Concertgebouw voor een mooie uitvoering. Ik heb 6 jaar van mijn leven doorgebracht op Collegium Carolinum, een fijne tijd met mooie herinneringen, ik heb er geen spijt van, zeker geen zonde van de tijd. De fundering was in orde, je kon verder gaan met bouwen, dat heb ik ook gedaan, proberen een goed mens te zijn. Ik ben niet ontevreden, t is goed zo.

 

Willem Theloosen

 

 

 

Hallo Wim,

 

 

Wat een pracht verhaal van jou met de titel Roeping! Ik dacht dat ik me veel herinnerde maar jij hebt nieuwe herinneringen bij me opgeroepen. Het verhaal over de HUDO met het prachtige gezang “in manus tuas commendo spiritum meum” heb ik vaak verteld, maar ik wist niet dat jij dat was. Wel zie ik pater Tromp nog voor me die dat met zijn hinnikende lachje vertelde.

Broeder Urlings laat je wel erg lang in het klosster zijn. Ik dacht dat het zijn diamanten feest was en dat is 60 jaar. Hij staat op een van de foto’s van “onze”(de vijfde klas) Sinterklaas van 1955. Ik wist nog dat Jène van Moorsel een soort operette geschreven had, omdat ik er aan meegewerkt had, maar ik wist niet meer dat het Willem Tell was. Ik speelde de rol van de gehate landvoogd, herinner ik me nu. We speelden trouwens veel toneel, met kerstmis een kerststuk, met Pasen een Passiespel, waarin ik een Petrus speelde en moest schreeuwen “ik ken die man niet!”

Ja, die sambal van de gebroeders Janssen. Wij kenden dat spul helemaal niet en als je al eens mocht proeven, snapte je niet hoe zij die hoeveelheden konden verwerken. Maar zij waren nog niet lang uit Indië (zoals het toen nog heette) terug..

 

Je voornemen om je documenten op de  13de mei aan mij te geven, kan ik alleen maar toejuichen. Ik ben van plan om een boek of een  CD te maken met de verzamelde informatie en met alle foto’s waar ik de hand op kan leggen. Ik ben tenslotte gediplomeerd uitgever (niet lachen svp), en heb al heel wat boeken uitgegeven en een aantal zelf gemaakt. Vooral op genealogisch of geschiedkundig gebied.

Jij hebt een heel andere levensweg gekozen als ik. Na Sevenum ben ik in Nijmegen Nederlands gaan studeren maar een conflict met de taalkundeprof maakte daar een einde aan. Ik ben toen gaan werken bij uitgeverij De Spaarnestad, eerst als corrector, toen als revisor. Haalde intussen mijn M.O. Nederlands en het uitgeversdiploma, ging toen naar Kluwer in Deventer als boekvoorbereider en daarna als produktiechef. Werd weer teruggevraagd door de Spaarnestad, nu als eindredacteur van de Libelle. Had intussen mijn vrouw Ine ontmoet, ook een Limburgse die als diëtiste werkte in het Sint-Geertruidenziekenhuis in Deventer. Kreeg een baan in Heerlen als bedrijfsleider bij een kleine uitgeverij die het bekende tijdschrift “Natuur en Techniek” uitgaf. Daarna werd ik leraar Nederlands aan de MTS te Sittard, en vanaf 1986 adjunct-directeur. In 1991 stortte ik voor de tweede keer in en werd afgekeurd. Ik hield mij allang bezig met genealogie en het uitgeven van familiegeschiedenissen. Daar kon ik mij vanaf toen met hart en ziel aan wijden. Momenteel ben ik op dat terrein nog zeer actief, al word het tempo wel wat langzamer. Ik heb drie kinderen, een zoon en twee dochters, en vijf kleindochters, en daar genieten we van.

Ik verheug me erop jou en anderen weer eens terug te zien. Het zal wel moeite kosten om in die grijsaards de jongetjes van toen te herkennen.

 

Jo Hoen

 

 

 Charles Eyck