Persoonlijke bijdrage van:

 

 Toon van Buren
 

 Open brief  aan Jozef Hoen.  Maart 2010

Dag Jozef,

Reuze bedankt voor je uitvoerige verslag.  Ik herken er allerlei langvergeten dingen in – en de herinnering doet me deugd. Heerlijk. Ik heb er echter wel een paar vragen en opmerkingen bij.  Mijn situatie op Ravensbos was overigens een beetje anders dan de jouwe.  Toen ik 12 was wilde ik best graag pater worden – kwestie van roeping dus – maar het celibaat vond ik een malle uitvinding. Ik heb daarom mijn geheim strak voor me gehouden –  vader en moeder mochten het beslist niet weten, want  die zouden zeker geprobeerd hebben mij te overtuigen om dan maar onmiddellijk naar het seminarie te gaan.  Toen ik 16 was las ik, 4e klas gymnasium , Inuk, van Pater Roger Buliard en ik wist helemaal zeker dat ik dat ook wilde: rond crossen op zo’n arrenslee in het doodstille sneeuwlandschap, bij volle maan,  met mijn liefste sledehond helemaal voorop.  Later hoorde ik dat de Fransen dat de attrape nigaud van de Oblaten noemden, de valstrik voor de sufferds: we waren toendertijd  met een kleine 7000 man en er was in het hoge Noorden maar plaats voor zo’n 35 missionarissen - en toch meldden zich op alle uithoeken van de wereld jongetjes van 12..  Het celibaatsprobleem loste ik eigenhandig op: het bleef een rare zaak, maar OLHeer wist ervan en die zou het wel beter weten.  Exact 16 jaar later reed ik op de fiets van het huis van mijn jarige oudste broer naar Rodichem, waar ik een jaar eerder staflid van het scholasticaat was geworden – en werd onderweg getroffen door het daverende inzicht dat OLHeer helemaal niets van het verplichte celibaat afwist. Het waren mensen die dat ingesteld hadden  en van mensen was ik niet bang . Eerder was ik ontzettend boos op ze, dat ze dat intussen, tegen beter weten in, niet weer afbesteld hadden. De volgende dag meldde ik me bij pater Wim Cartens, overste van het scholasticaat,  die met veel empathie naar mijn diep pastoraal/theologisch inzicht luisterde: ik zou gewoon priester blijven, sacerdos in aeternum, wat zullen we nou krijgen, maar met dat malle gedoe was het gedaan.

Ik kwam dus als 16jarige in de vijfde klas en was daarmee tevens een van de 5 oudste leerlingen. Ik begon zo gezegd achteraan. De 6e klas bestond nog niet of beter gezegd, bestond niet meer , bij gebrek aan leerlingen.  Het jaar daarop kwamen jullie, als 5e klassers, bij ons als 6e klassers om samen van Zijlstra Latijn en  Grieks te krijgen.  “We waren eerlijk gezegd beter en hadden al gauw een voorsprong”.  Ik lees het met verbazing, Jozef,  ik heb daar eerlijk gezegd nooit iets van gemerkt. Wat ik zeker wel gemerkt heb,  is dat jij toen onwezenlijk goed in Nederlands was,  maar daar stond weer tegenover dat bij ons Jantje Diederen griezelig goed was in wiskunde. Wat nu dat beter zijn in Latijn en Grieks aangaat, dat lijkt me eerder een verhaal van de jongere die graag droomt de oudere voorbij te snellen. Zo werd mij door jullie vol trots verteld dat wij bezig zouden zijn op een echt gymnasium, met die twee uitstekende – helemaal mee eens, Jozef – bevoegde lekenleraren  en dat was iets heel anders als die lui van vroeger, die intussen in het noviciaat zaten en maar wat aangerommeld hadden.  Zo had Theo Vernooy op zijn eindexamen Homerus  tevergeefs zitten broeden  op de vraag van welk werkwoord agamemnoon nu eigenlijk het participium praesens was. Ik lees op de nieuwste belangstellendenlijst dat Piet Haarmans  en Martin Vermüe ook komen, ook twee van die rommelaars , een van hen misschien zelf wel in plaats van Theo, de echte rommelaar – dus kunnen we hen vragen hoe het nu precies zat.                                                                                                                                                              

Het is wel zo,  dat van ons 4en enkel Jef Magermans en ik voor het Staatsexamen zijn geslaagd, zij het ieder met twee herexamens voor Latijn en Grieks. Jan Diederen slaagde met 9s en 10en voor wiskunde, maar zakte uiteindelijk voor de klassieken. Matje Habets zakte voor van alles, maar nam wraak in het noviciaat. We waren met ons  5en:  Jan was niet meegegaan naar het noviciaat en in zijn plaats was Ben de Vries gekomen, die 10 jaar ouder was dan wij - en verder was er Inno Gijsberts, die in onze klas ziek geworden was en daarom niet meer had meegedaan voor het Staatsexamen.   In het Latijn  reciteerden we ’s middags alternerend  de psalmen  – in de Kapel.  Geleidelijkaan kwam daar goed de vaart in, totdat tot onze verbazing Matje opeens weigerde om aan het einde van  een  psalm het Gloria patri in te zetten. Het staat er niet, zei hij, en als ze te beroerd zijn om het erbij te zetten, ben ik te beroerd om het te bidden. We hebben ons slap gelachen – en van het brevieren is die middag niets meer terecht gekomen. Een poos later is Matje uit het noviciaat vertrokken; dat komt er nou van. In ieder geval : wij waren voor 50 % geslaagd.  Maar  Jozef, jullie waren met je 3en,  dat betekent dat er al 4 afgestreept waren voor het staatexamen – kleine kunst om dan een beter gemiddelde te krijgen.                                                          

Er is echter nog iets dat ik niet snap:  de prefect, pater Uitterhoeve had mij gevraagd om bij ons afscheidsfeest in de aula een kleine toespraak te houden voor Zijlstra, die ook zou vertrekken. Ik neem tenminste aan dat ik me dat goed herinner, want ik was niet gevraagd om ook Harry Prick te bedanken.  Mijn toespraak op het toneelpodium voor de volle aula herinner ik me in ieder geval wel heel goed: die werd een totale flop. Na twee zinnen stokte ik en ik kan vandaag nog  voelen hoe hopeloos  dat voelde.  Zijlstra redde echter de situatie - uitstekende man,inderdaad. Hij kwam haastig uit zijn stoel, sloeg een arm om mij heen en bedankte ons voor de fijne samenwerking;  op zich toch niet zo gemakkelijk: met zo weinigen zoveel lesuren met steeds weer dezelfde leraar; was je niet aan de beurt, dan had je hem net gehad, of kreeg je hem de volgende keer.  Als Zijlstra toen inderdaad vertrokken is, met wie hebben jullie 3en dan die verdere voorsprong genomen? 

 Prick is langer gebleven, dat wisten we wel. Die heeft dus nog vaak met die slungelige armen half  over en langs zijn tafeltje bungelend de prachtigste verhalen voorgelezen.   Maar helemaal op mijn gemak had ik me bij hem nooit gevoeld - en hij waarschijnlijk niet met mij. Ik had toen zo’n naaldjesvulpen, die even in de mode is geweest.  Van Buren, zei hij, volgens mij schrijf jij met een lucifer - het was geen compliment. In het noviciaat hoorden we bij tijd en wijle  over jullie. Alle vakanties kwam  onze mascotte, Harry Bakker, met bolle wangen en per fiets  op bezoek.  Die  zat in de 1e klas, toen wij in de 6e zaten. Hij woonde in Helenaveen, juist om de hoek. Ik denk dat hij het was die ons verteld heeft, dat  pater Rientjes hoog bezoek had gehad vanuit Engeland. Trots had hij de hoogste klas willen laten zien, die zich serieus voorbereidde op het Staatsexamen. Toen hij opeens de klasdeur opende, lag Leo van den Berg overlangs boven op de piano – dat studeerde gemakkelijker.                           

Wat ik ook vreemd vond bij mijn dus latere komst naar Ravensbos was dat van die  groepen, waar jij het over hebt. Ga naar je soort,  zeiden de ouderen tegen de kleintjes en dat deden die dan. Ik zag ze niet morren, maar ik verbaasde me er wel over. Ik had thuis een jongere broer en een jonger zusje maar ik had nooit bedacht dat ze een ander soort waren.  Dat had die nietsvermoedende  1ste   klasser blijkbaar ook niet, die met ons mee stond te luisteren toen wij het hadden over dat vreselijke ongeluk op het circuit van Le Mans . Ja,  zei hij,  er waren 5 kapotte. Om vervolgens onder onze verbaasde ogen naar zijn groep af te druipen.

Van misdienen had ik ook geen weet. Waar Inno echter wel raad op wist. Die was koster en  ging daar over. Na een grondige spoedcursus  stond ik op een plechtige zondagmorgen als ceremoniarius naast de celebrant. Achter deze, netjes in het gelid , stond de diaken en helemaal onder aan de subdiaken. De andere misdienaars leken ook de juiste plaats gevonden te hebben.  En toen wist ik opeens  absoluut niet meer hoe het verder moest. Totdat mij het angstige idee bekroop dat ik misschien op de verkeerde plek stond en de anderen hinderde.  Daarom daalde ik zo beheerst mogelijk omlaag - en toen ik nog geen flauw benul had hoe verder, besloot ik me maar achter een pilaar te verbergen. Even overwoog ik om via de openstaande deur van de sacristie  maar helemaal te verdwijnen. Maar net voor ik in mijn wanhoop daartoe over zou gaan, zag ik ineens wat er op dat moment moest gebeuren. Boven aangekomen maakte ik een eerbiedige knicks naar  de diaken  en de hele carrousel ging weer verder. Heel goed gedaan, zei Inno, maar hij  begreep niet wat ik achter die pilaar gezocht had. Toen ik zei dat ik niet geweten had wat ik in godsnaam  had moeten doen, bleek dat te kloppen – ik had al die tijd niets hoeven doen.

Ik herinner me nog een andere plechtige hoogmis –waar ik mij jarenlang door geïnspireerd heb gevoeld. Dat was de zondag waarop de provinciaal Jos Voogt (in Rome heette hij , nadat hij daar overste van het studium generale was geworden en later assistent generaal,  de Ronde van Italië) naar Ravensbos was gekomen. Met zijn diepe bas las hij  de brief  voor van de eskimo-missionaris pater Kees Verspeek,  over de plotselinge dood van zijn Nederlandse confrater.  De hele boel was daar weken en wekenlang zo bevroren geweest, dat hij met geen mogelijkheid de overledene had kunnen begraven.  De brief werd al gauw in de grote kranten gepubliceerd. Een jaar of veertig later heb ik pater Verspeek in Korbeek-lo nog ontmoet – en heb  hem kunnen bedanken; de dank werd met ontroering –zowel van hem als van mij - ontvangen.  Ver in de 90 is hij een paar jaar geleden gestorven.

De code die ik aanvankelijk ook niet zo goed begreep was het voorbidden op het einde van een bijeenkomst. Ik had net als jij ook eens op een zondagmorgen surveillant moeten spelen bij de lagere klassen. Na afloop van het Onze Vader en Weesgegroet zette ik blijmoedig in: Door uw onbevlekte ontvangenis, o Maria  – verwachtend dat iedereen zou invallen met: zuiver mijn lichaam en heilig mijn ziel. Maar dat deed iedereen niet, in plaats daarvan barstten ze allemaal in een hysterisch gelach uit. Hoe kon iemand nou zo stom zijn om niet te weten dat dit bij het avondgebed hoorde.  Ja, bevlekt en zuiver – inderdaad dat hoorde meer bij het bed. Al vond ik toch dat dat  Maria Immaculata ook wel  wat had voor overdag:  o.m.i. Maar de bende was niet meer tot bedaren brengen geweest. Ik heb nooit meer surveillant mogen wezen.

Die Sinterklaasviering van jullie  van de 5e  daar weet ik nog alles van. Vooral  dat Gerard van Kempen als Zwarte Piet zo onder de schoensmeer had gezeten. Wij van de 6e hadden wat lopen stangen - dat jullie het niet in je bolle hoofd moesten  halen om iets neerbuigends  - dat jullie eerlijk gezegd beter waren bv -  over ons te melden.  Juist toen het er naar uitzag dat dit toch ging gebeuren, was ik opgestaan om een plechtige verklaring voor te lezen over de aloude traditie en blabla.   Gerard die dat niet begreep (??)  kwam vervaarlijk op mij af – met schoensmeer en al. Ik vreesde voor mijn nieuwe pak, maakte een afwerende beweging, kreeg een klap met de roede en even later rolden we op de grond. De snerpende fluit van de prefect,  pater Uitterhoeve maakte een einde aan het gestoei en pater overste de Grauw stuurde me zonder pardon en zeker zonder weerwoord naar de studiezaal. Terwijl het feest beneden nog op zijn einde liep, kwam hij al naar me toe. Dat ik De kleine Rudolf van Aart van der Leeuw met aandacht zat te lezen, vond hij een overtuigend bewijs van mijn onschuld en mijn proclamatie, weliswaar geen literair hoogstandje,  maakte dat hij me terugstuurde om met jullie van de 5e de restjes van de feestmaaltijd te gebruiken. Aan de kleintjes van toen wil ik bij deze nog mijn excuses aanbieden.

Ik heb het met pater de Grauw altijd goed gehad. Zijn avondlijke pep up talk kon ik  vaak erg waarderen. Hij meende het allemaal echt: dat de pauperes van heel de wereld  nu eindelijk  eens geëvangeliseerd moesten worden, dat het schandelijk was dat de rijke landen veel meer geld uitgaven voor wapentuig, dan nodig was om al de hongerigen te voeden,  of dat je bijvoorbeeld nooit kwaad zou mogen spreken van een priester – en tot dat gilde zouden wij dan gaan behoren. Pieter van der Meer de Walcheren  was een favoriet - maar vooral Anton Zischka met zijn boeken over de grote wereldproblemen. De Rijn vervoerde volgens De Grauw/Zischka net zoveel aarde naar de zee - als volgeladen vrachtwagens rijdend bumper aan bumper in een file van Basel tot aan Rotterdam zouden kunnen verslepen. Hoe hard die wagens dan wel reden is me ontgaan.  Als provinciaal heeft hij me later voor een jaar  stage  naar Congo gestuurd om  me daarna nog een extra jaar bij de stam van de Bawòng te gunnen, waar ik hem nog steeds dankbaar voor ben. Voor mijn ouders was hij helemaal top. ‘Pater Overste’ was de enige Oblaat die zij kenden - en hij kon zo goed bedelen,  zei mijn vader, dat je gewoon blij was als je hem wat. liefst heel wat, kon geven. Toen ik later thuis kwam vertellen dat ik het celibaat voor gezien hield, vroeg mijn moeder bezorgd wat de Kerk daar van vond. Ja, zie je , zei ik, de kardinaal is er voor, pater Overste is er voor, maar de paus is tegen. Dan ga ik bidden dat de paus gauw mag sterven,  zei ze vastberaden. Intussen is mijn moeder allang gestorven, zijn er al 5 pausen dood gegaan: de een te vroeg, de ander te laat en weer een ander onder verdachte omstandigheden , maar het probleem celibaat is nog niet helemaal opgelost. Mijn moeder bidt verder, dat weet ik zeker, en misschien dat de huidige schandalen wat gaan helpen...

Van die schandalen heb ik echter ook nooit  maar iets ontdekt of vermoed.  Dat kwam niet eens bij je op. Misschien juist omdat er in Ravensbos bij mijn weten  nooit over sexualiteit gesproken werd.  Afgezien van die ene keer dat pater Tromp het er over had.  Tegen de tijd dat Wilhelmina  bij koningin Emma verwekt moest worden, was koning Willem III al zo  versleten, dat Ruys de Beerenbrouck dat karwei maar geklaard had. Hij vertelde het op gedempte toon, met dat hikkende lachje: niet verder zeggen, want het was niet helemaal bewezen.  Willy Tromp heeft ons nog een keer naar een groot café gebracht, waar we op de T.V. naar een debat van de Tweede Kamer konden kijken. We zagen praktisch nooit  T.V.  en nou kregen we die politici er zomaar bij. Die lui, waar pater Tromp over sprak,  bestonden dus echt.

Net zoals die bandrecorder van pater Harry Voogt. Dat was een kast zo groot als een buffet, met banden die bijna voor een kruiwagen gebruikt hadden kunnen worden. Maar hij kreeg de boel aan de praat. Reuze knap. Net als trouwens zijn muzieklessen. Ik heb het eerste jaar pianoles van hem gehad, en omdat ik  al gauw weer weg zou gaan, mocht ik van hem  al in mijn tweede jaar op het orgel. Orgelspelen is al geweldig al doe je het maar met 1 noot en dan nog heel langzaam. Die ene noot galmde dan dwars door heel je lichaam - vooral als je het met het voetpedaal deed.

Met Pater Jan Kuilboer kon ik het ook goed vinden. Die was onze godsdienstleraar. Maar hij had het nooit over godsdienst; dat hoefde niet, daar zouden we de komende jaren toch  mee dood gegooid worden. Dus hij sprak over alles en heel de wereld en het kwam allemaal best goed.  Jammer dat zijn gebit niet paste. Hij meende dat al die lesstof van ons eigenlijk ook maar heel betrekkelijk was. Je zou net zo goed al die boeken dicht kunnen laten en goed leren schaken. Als die hersentjes maar kraakten.  Zijn broer was de bedrijfsleider van de boerderij en hijzelf  was er dan ook vaak te vinden. Je kon  heel goed met hem aardappelrooien. Eens mocht ik van hem op zondagmorgen de koeien melken: dat was toen broeder Menschink zijn eeuwige geloften deed. En ’s winters de cour onder water spuiten voor het schaatsen, was ook zo’n karweitje – even als het schaatsen zelf trouwens . In de laatste weken voor dat wij Ravensbos gingen verlaten, heeft hij mij nog  reuze bemoedigd. Ik liep wat te somberen over het noviciaat.  Daar zouden we weer in een mallemolen komen - waar OLHeer wel of niet van afwist. En dan leek me het gevaar toch heel reëel dat ik ook zo’n verknipte figuur zou worden als pater Zo en zo - zijn naam doet er hier niet zo toe. Maar nee, zei Jan, helemaal niet - die man is gewoon gek; dat telt niet.  Ik voelde me echt opgelucht: die paters dachten niet allemaal hetzelfde, zo zat de club dus niet in elkaar. Maar achteraf besefte ik dat hij  toch wel wat voorbarig was geweest: ik heb in latere jaren heel wat redelijk verknipte mensen geteld.

Dat bridgen hebben we op de stam van Joop Calis geleerd. Dat was ook echt geweldig –overdag liep je al het goede openingsbod te bedenken en dan had je nog die hele avondrecreatie voor je.  Joop was na zijn diakenwijding naar Ravensbos gekomen, waar hij zou blijven tot zijn priesterwijding. Zondags zong hij het evangelie. Met die prachtige stem van hem klonk het zo fantastisch, dat hij voor mijn part het hele desbetreffende hoofdstuk secundum  Lu-hu-cam had mogen afzingen.  Maar dat was toen helemaal nog niet aan de orde: aan het Missale Romanum viel absoluut niets te morrelen. Dat veranderde een jaar of vijf later, toen de goede paus Johannes XXIII koppig doorzette en de naam  Jozef in de miscanon liet zetten. Dat was heel slim van hem:  als je er eenmaal iets in kunt zetten, dan kun je er ook wel wat uit halen - en zo donderde dat  eeuwenoude liturgische bouwwerk uiteindelijk in elkaar.  Joop werd gewijd door een Franse missiebisschop. Zijn naam begon met Br – twee lettergrepen. Hij vertelde dat hij met zijn bisschopsstaf langs  de fietsstang geknoopt de rimboe in placht te peddelen en dat toen eens een poedelnaakt misdienaartje zich had aangemeld om te assisteren.  Hij had het ventje naar huis gestuurd om zich om te kleden en even later was deze weer aan komen hollen met een pet op. Daar hoefde je dus in die onschuldige tijden niets achter te zoeken. Net zoals je er niets achter hoefde te zoeken, Jozef, dat pater Mullenders zo vaak bij dat echtpaar Laeven in die kleine bungalow op de hoek van de cour op bezoek ging. Zij was een zus van Mullenders en beiden waren zij heeroom en tante Antje van Fons Kusters.

Ik ben op Ravensbos twee jaar lang heel gelukkig geweest. Stapten we uit de bus van Sittard onder aan de heuvel uit, dan rook ik al die bijzondere  geur van het lössland en voelde me op slag picobello. Lopend naar boven zag je dat grote witte huis waar we allemaal woonden - een grote groep jongens die voorbestemd  was het verschil in de wereld te maken.  In Pilcomayo bijvoorbeeld of in Japan of liefst nog bij de Eskimo’s: er waren nog heel wat heidenen die nog van niets wisten, dus wat lette ons. Ik herinner me dat ik met Jène van Moorsel stond te praten op de cour, bij de grote deur vlak voor het volleybalveldje. We zijn met meer dan honderd, wat denk je - zei Jène -  er zou toch best een toekomstige bisschop tussen kunnen lopen.

 

Met Leon Janssen – (Weet jij wat er van hem terecht is gekomen?) – had ik het plan gemaakt om in de grote vakantie  na het eindexamen naar Rome te gaan. Hij deed nog wel geen examen, was wel even oud, maar had enkele klassen twee keer gedaan.  Mijn broer had een Harley Davidson die ik mocht lenen en Leon zou geld bij elkaar sparen om de benzine te betalen. In de kerstvakantie nam ik thuis enkele motorrijlessen en in de paasvakantie slaagde ik voor het rijbewijs. Toen ik terugkwam op Ravensbos  wachtte pater Uitterhoeve me op.  Hij had gehoord van ons plan, maar vond het geen goed plan. Leon had te kennen gegeven dat hij na de grote vakantie niet meer terug wilde komen. Dus dat kon niet, dat ik voor het noviciaat nog met hem een reis ging maken. Ik voelde me,  niet vanwege Rome, maar vanwege het totaal onverwachte  vertrek van Leon uit de grote cirkel van de uitverkorenen,  alsof ik een doodsbericht had ontvangen. Ik was opeens in de rouw. En dat is me later vaker gebeurd.  We waren niet bij elkaar enkel voor de gezelligheid , maar voor iets waar je heel je ziel en zaligheid in had gelegd.                                            

 

Met Rome is het nog best goed gekomen. Na het noviciaat ben ik met Ben de Vries naar Rome gestuurd.  Voor 7 jaar – zonder ooit intussen nog naar huis te mogen, althans dat was de bedoeling. Met mijn ouders is uiteraard niets overlegd. In Rome troffen we Ben Annink, die daar al 5 jaar was, alles dus wist en gelukkig ook nog goed Nederlands sprak. Toen Ben Annink naar Nederland terugging, kwam André van Kempen, met wie ik in de komende 5 jaar – en sindsdien nog steeds - meer vertrouwd ben geweest, dan ooit met een van mijn broers. Tijdens mijn laatste 3 jaar kwam ook Matje Vliegen. Met het Latijn, Jozef,  is het toen helemaal goed gekomen - voorsprong of niet. Op de universiteit gold  enkel Latijn – we lazen St Thomas in het origineel, debatteerden in het Latijn, alle colleges, alle examens,  mondeling,  schriftelijk: Latijn. Zelfs Heidegger lazen we in het Latijn. En de bisschoppen van Jène ben ik er ook tegengekomen. De eerste weken brachten Ben de Vries en ik  door in Roviano, in de bergen van de Abruzzen ,waar het vakantiehuis was van het internationale scholasticaat.  Tijdens het eerste potje voetbal werd ik bijkans van de sokken gelopen door een lachende zwarte, Buthelezi heette ie, uit Zuid-Afrika .  Dus drie dagen later schopte ik hem omver, maar toen ie opstond bleek het een nieuwe bisschop te zijn, uit Basutoland.  Als je voor het eerst zwarten tegenkomt denk je dat je ze herkent aan het kroeshaar - maar dat is niet zo. Ik heb jaren in de collegebanken gezeten naast Bernd  Mohlalisi  - goede voetballer ook -  die al gauw aartsbisschop is geworden van Roma, Basutoland, en vorig jaar met pensioen is gegaan.  Een andere jaargenoot van mij, Marcel Dumais, met wie ik de eerste dag in Roviano bevriend was geworden en sindsdien altijd ben gebleven, heeft  12 jaar lang in de Pauselijke Bijbelcommissie gezeten, waarvan kardinaal Ratzinger voorzitter was. Op weg terug naar Ottawa  vloog Marcel dan over Amsterdam om bij ons thuis te logeren. Op  de dag van vandaag nog is hij  Generaal Assistent, verantwoordelijk voor 1200 Oblaten. André heeft nog samen gestudeerd met de latere oblaten kardinaal van Montreal - en is eens met gejatte paarse sokken de Sixtijnse Kapel binnen gewandeld om met een hele horde monsignori op de beste plaatsen te gaan zitten in de Sint Pieter. Toen Matje kwam, kwam er ook een jonge Canadees mee - een dag voor de sportdag in Roviano. Hij won 7 van de 8 medailles - hij kon alles, en alles beter. Tot op vandaag  is hij nog steeds  - een  vooruitstrevende -  bisschop in Kameroen.  Jan Kuilboer had gelijk: het komt allemaal wel goed.

 

De laatste maanden in Ravensbos waren extra plezierig. We mochten toen gaan wonen op de bovenste verdieping van de Duitse vleugel. Onze eigen kamer uitkiezen, buro’s heen en weer slepen, een schemerlamp opduikelen, de boel weer verzetten en tussendoor de Rientjes-vellen met woorden Duits en Engels stampen. Heerlijk – ineens helemaal los van de grote groep.  Niet meer in de rij, maar lopen zoals je zelf wilde.  Al waren die eindeloze processies in die hele lange rij, van alle klassen tegelijk  - naar de refter, van de refter, naar de kapel en via de kapel weer naar de refter - niet enkel vervelend. Ik heb  Nicholas Nickleby, David Copperfield en wat nog  van Charles Dickens gelezen – de gang was best goed verlicht - en als het verhaal spannend was, dan hoopte je eigenlijk dat ze daar voor in de rij, ergens  - wij liepen helemaal achter aan - wat zouden treuzelen,  zodat je het einde van die ene passage uitgelezen had, voor je de kapel instapte. Anders zat je daar maar over te puzzelen in plaats van te bidden. Die plotselinge verhuizing naar de Duitse vleugel  was om ons voor te bereiden op de volgende stap in ons leven, want dan moest je tegen de luxe van de vrijheid bestand zijn. Dat er in het noviciaat en het latere scholasticaat ook nog allerlei spelregeltjes op ons losgelaten zouden worden, werd kennelijk  niet als daarmee in tegenspraak gezien. 

 

Ik had wel wat met die Duitse vleugel. Toen ik op Ravensbos kwam in 1953 zaten daar nog een paar oude Duitse paters – een beetje als een bezienswaardigheid. Ik heb eens zo’n bezienswaardigheid aangeklampt om mij het gothisch schrift te helpen ontcijferen van een boekje dat ik bij hen in de buurt gevonden had. Maar vooral herinner ik mij die middag, maanden voor onze  verhuizing, dat wij moesten helpen om de Duitse bibliotheek te ontruimen. Voorzichtig liepen we met die oude folianten naar beneden, totdat iemand er een liet vallen en toen nog eens een - en die waren dan kapot. Op het laatst werden we zo balorig dat we ze van de trap afsmeten.  In mijn herinnering (verbeelding?) hebben we zo wel een paar kubieke meter  van die boeken de wereld uitgeholpen. Toen Rodichem in 1971 sloot, heb ik uit het restant van de Duitse vleugel die daar aanbeland was, een paar kloeke delen, van wel 3 kilo zwaar,  gered: met van die namaak leren ruggen. Ze staan nu bij mij thuis in de kast: de Commentaren van kardinaal Cajetanus op de Summa van St Thomas. Die hebben wij in Rome in straf tempo moeten doornemen. Quid dixit  Cardinaal Cajetanus in de 16e eeuw over artikel-zoveel van qaestio-nog-meer uit de Secunda secundae van Sancti  Thomae uit de 13e eeuw? Als je daar een antwoord op wist, was je al weer een stuk dichter  bij je licentiaat in de theologie van de 20e eeuw. Maar het was in feite nog meer om iets anders, dat ik zo graag die Cajetanus’delen mee naar huis nam. Het was omdat we zo gelachen hadden om een parroco die in het Vaticaan gevangen was gehouden, vanwege een kraak die hij had gezet. Hij werd bewaakt door een collega-reverendo. Toen deze vroeg of de eerwaarde  nog wensen had, verzocht deze om een deel van Cajetanus, aangaande de Secunda secundae – die veruit het dikste was.  Verder nog iets? Ja, graag een glas water.  Toen de cipier dat voor hem klaarzette, had de pastoor hem met Cajetanus een dreun op zijn hoofd gegeven – en was vervolgens door de voordeur vertrokken.

 

’s Zondags mochten  we, als Chinese vrijwilligers,  op het einde van de morgen de rozenkrans buiten  bidden , ook in de voortuin, waar die prachtige ‘boksboom’ stond, hopelijk nog staat. Dan liepen we in ganzenmars achter elkaar over de paadjes, in vrome stilte.  Opeens  hoorden we  vanachter de heg een mevrouw luid roepen:   Och, kijk nou eens, wat een arme schapen. Ik snapte haar wel – maar in feite heb ik me in Ravensbos heel rijk gevoeld.

 

Jozef, graag tot ziens in mei.

Toon van Buren

 

 

 

Aad de Haas

 

SiteLock