Een bijdrage van:

 Toon van Buren

"De heilige boom van de Bawòng"

 

 

In Afrika had ik mensen getroffen, die zich moeiteloos naar een tweede dimensie konden verplaatsen - en terug. En in de psychiatrie op de Willem Arntsz Hoeve had ik patiënten leren kennen, die mij voorkwamen als drenkelingen die uit de tijd gevallen waren; vrezers en zieners in onbekende verten, die bij terugkomst verteld werd dat zij nergens waren geweest.

In het onderzoek waarvan ik hier verslag wil doen, ging ik uit van de hypothese, dat beide groepen mensen dezelfde tijd/ruimteloze werkelijkheid betraden als waar de westerse en oosterse mystiek van spreekt. In de Zen-meditatie vond ik een bijna fysieke weg, die mij leidde naar die overkant, en aldus een bevestiging vormde van mijn hypothese. Mijn reis naar binnen en naar buiten voerde mij langs de drie stappen van de mystieke weg, en wil een bijdrage zijn aan wat Merleau-Ponty eens noemde: de opdracht van onze eeuw, de poging het irrationele te exploreren en het te integreren in een verbrede rede. 

 

Toen ik al bijna een jaar bij de Bawòng woonde en mijn tijd bij hen begon op te raken, bedacht ik, dat ik nog nooit hun busake-boom gezien had. De busake-boom is de heilige boom bij uitstek. De medicijnmannen schieten er hun pijl op af tijdens de initiatie, en van het sap van zijn schors en van de wortels wordt het dodelijke gif gemaakt, dat gebruikt wordt voor het godsoordeel. In het toepassen van het godsoordeel waren de Bawòng, tot de tijd dat de Belgen het verboden, erg actief. Zij gebruikten er het busake-gif voor in de meer ernstige gevallen. In kleinere gevallen, om bijvoorbeeld enkel maar een oog uit te laten branden – of niet natuurlijk - gebruikten ze het gif van de ipwueme. 
Ik had daarom een van de oudere leden van de stam verzocht mij naar de boom te vergezellen.
Het bleek een enorme boom waarin duidelijk zichtbaar pijlen te zien waren, hele pijlen en verschillende metalen pijlpunten waar het houten pijlgedeelte uit gevallen was. Generaties lang hadden hier de nieuwe medicijnmannen hun opwachting gemaakt – ik bevond me op heilige bodem.
Of het daardoor kwam of doordat ik al de cadeautjes aan het verzamelen was geweest om mee naar huis te nemen, wist ik achteraf niet meer, maar wel dat ik, terwijl mijn begeleider even niet oplette, een pijlpunt uit de boom heb gewrikt en in mijn zak laten verdwijnen. Als een wel heel bijzonder souvenir. We waren echter nog maar enkele tientallen meters van de boom verwijderd of ik besefte dat er iets volkomen fout was. Teruggaan durfde ik niet, want ik wilde mijn gids en via hem alle anderen niet teleurstellen; zij hadden een grenzeloos vertrouwen in mij gehad en nu dit. Later nog eens in mijn eentje de pijlpunt terugbrengen was geen optie: met geen mogelijkheid zou ik de weg in het bos kunnen vinden. Ik zat er danig over in, voelde me schuldig. Het eerste dat ik dan ook deed zodra ik in het dorp kwam, was Mpeemp, de jongere broer van stamhoofd Jokomakari raadplegen. Mpeemp was de belangrijkste medicijnman van de stam, priester en profeet, hij zou weten hoe mij te helpen.
Ik vroeg: ‘Mpeemp, waarom schieten de medicijnmannen op de busake-boom, de heilige boom in het grote bos?’
Mpeemp antwoordde: ‘Wij heten medicijnman-die-op-de-busake-boom-heeft-geschoten, en daarom schieten wij er op. Zodat iedereen kan weten, dat wij terecht zo heten.’ Meester Eckhardt, ook van het gilde van de priesters, zo herinnerde ik mij, sprak in zijn preek over de armoede juist zo: ‘Ik doe het omdat ik het doe; dat is het antwoord van een rechtschapen werker, als hij het goede antwoord geeft.’
Wij schieten, omdat wij schieten. We heten zo, omdat we het doen. We doen het, omdat we zo heten. Maar voor mij was de zaak daarmee nog niet geregeld. Ik vroeg daarom verder: ‘Maar stel nu dat die pijl er uit valt?’
Mpeemp: ‘Als die pijl er uit valt, gebeurt er niks’
Mantoine (zo noemde men mij): ‘Maar veronderstel dat iemand de pijl er nu eens uit zou halen.? ‘ Ik vroeg het heel bedeesd.
Mpeemp: ‘Dat doet niemand, dus dat hoeven we niet te veronderstellen.’
Mantoine: (als goed zoon van Abraham blijf je aandringen) ‘Ja, maar als iemand toch de euvele moed zou hebben, die pijl uit de heilige boom van het Godsoordeel te trekken?’
Mpeemp: ‘Hij krijgt de schurft.’
Ik, hogelijk verbaasd, krabde me verlegen achter het oor.  Als priesters onder elkaar die aan een half woord genoeg hebben, besloot ik verder niets meer te zeggen of te vragen. ’s Avonds had ik schurft achter mijn oor. Het zat op de rechteroorschelp en liep langs de nek tot in mijn baard.
 
Twee jaar eerder was ik naar Congo (Zaïre) gekomen, om, als toekomstig staflid van het grootseminarie van de paters Oblaten (o.m.i.) een jaar stage te lopen in het bisdom Idiofa, provincie Kikwit. Na een jaar het werk van de missionarissen te hebben bestudeerd door er actief aan deel te nemen, had ik mijn religieuze oversten verlof gevraagd enige tijd te mogen wonen bij de stam van de Bawòng, aangezien deze van heel de streek de minste invloed van de blanken had ondergaan. Van september 1967 tot augustus 1968 deed ik er antropologisch onderzoek.
Jarenlang liet ik de resultaten van mijn onderzoek liggen, aangezien ik er niet in slaagde het materiaal zó weer te geven, dat ook de Bawòng zelf – gesteld dat zij zouden kunnen lezen – er zich in zouden hebben herkend. Zo meenden zij dat ik een teruggekomene was, een gestorven voorvader die weer naar zijn dorp was teruggekeerd. Eveneens waren zij er van overtuigd dat ik een echte medicijnman/waarzegger was, bekwaam om de grote dromen te duiden. Wat betekende dat ik kon zien met behulp van de strijkpop of het waar was, dat die en die ongevraagd in de grote droom van een ander was binnen gedrongen;  kwestie van huisvrede breuk, waar ofwel grote zegen ofwel grote rampspoed uit voort kwam. Dat ik dus ook invloed had op boze geesten, geesten van levenden of van doden, dat deed er niet toe, geesten sterven niet. En dat er van mij, als van een echt stamhoofd een zegenrijke werking uitging op mensen en dieren en planten.
Ik was mij ervan bewust, dat als ik deze opvattingen ter zijde schoof als niet ter zake doende, ik in hun ogen een geheel onjuist beeld zou schetsen van mijn verblijf onder hen. Het was of zij over mijn schouder bleven mee kijken: Mantoine, die in Europa aan de mensen zou gaan vertellen wie wij zijn, wat beweert hij nu?
 
1e stap: voorbij het denken
 
Zes jaar later veranderde de situatie opeens drastisch. Ik was intussen als pastor gaan werken in het psychiatrisch ziekenhuis de Willem Arntsz Hoeve. Getrouwd en wel lag ik eind januari 1974 te slapen toen Jokomakari en zijn vrouw Butuk mij verschenen in de grote droom. Zij bevonden zich rond de lampenkap boven ons bed, en even later voegde ik me bij hen. Van bovenaf kon ik mijn vrouw Janny heel duidelijk zien liggen en mijzelf, iets minder duidelijk, naast haar. Maar ik kon ook even gemakkelijk kijken tot in Itunda, het dorp van de Bawòng. Tijd en ruimte bleken inderdaad, zoals ik van Immanuel Kant had geleerd, vormen a priori van het verstandelijk/zintuiglijke kennen. Dat wil zeggen dat zij niet echt bestaan, maar enkel optreden als wij ons verstand gebruiken. Ze bestaan zoals de boeggolven achter een varend schip: ligt het schip stil dan zijn de golven weg. Ligt het verstand stil - en dat deed het – dan zijn tijd en ruimte opgelost tot één aanwezig Nu. Van dit laatste was Kant niet zo overtuigd, maar ik zag het. Even daarna lag ik weer gewoon in bed, om vervolgens me opnieuw bij mijn visite rond de lampenkap te voegen. Dit heeft uren geduurd. Uiteindelijk ben ik in een diepe(re) slaap gevallen om bij het wakker worden met een schok te beseffen: hier hadden de Bawòng het dus over.  Dit is een echte bawòng ervaring, zij hadden gelijk. En als dit waar is, wat was er dan waar van die andere zaken? Teruggekeerd stamhoofd? Op dat moment realiseerde ik me dat we in de stamtaal moesten hebben gesproken, urenlang, omdat Butuk ook aan het gesprek had deelgenomen. De Bawòng-vrouwen zaten namelijk opgesloten in de stamtaal Kiwòng, een toontaal die ik verwoed maar vruchteloos geprobeerd had te leren spreken. Wel had ik de voertaal Kikongo vloeiend leren spreken in het stage-jaar voor mijn komst bij hen. Maar vrouwen spreken geen Kikongo. Ik was me er wel van bewust dat het niet helemaal logisch was om te veronderstellen dat we in de droom Kiwòng hadden gesproken, omdat je zoals bekend in dromen zelfs met een doofstomme Chinees ongehinderd kunt communiceren. Maar ik was zo onder de indruk van de droom, dat ik bedacht: als ik half wakker het Kiwòng beheers, dan moet ik dat zeker kunnen als ik bij mijn volle verstand ben. En dat kon ik. Zie je wel, teruggekeerd stamhoofd: ik had daar als een afasie-patiënt hartstochtelijk naar elk woord lopen zoeken.
Ineens kon ik beschrijven hoe de visie van de Bawòng ook waar was. Als ik vragen had, hoefde ik enkel maar niet-te-denken, zoals ik sinds enkele maanden via de Zen-meditatie had geleerd, en dan opende er zich een tijd/ruimteloos gewelf boven(in) mijn hoofd, en daar voegde dan vanzelf het antwoord zich bij mijn vraag. Alles was immers één. En soms kon ik van bovenaf op mijn gedachten kijken en zien hoe ikzelf het was die de twee eindjes aan elkaar knoopte. Ik deed dat omdat ik het deed, want alle redenen om te doen lagen daar beneden onder mij. Mpeemp had inderdaad gelijk: vanuit deze ruimte werkten de medicijnmannen.
Zes weken lang kon ik deze ervaring zo maar op roepen: even innerlijk stil zijn en de werkelijkheid lag open. Ik heb vervolgens twaalf jaar gewacht totdat ik zo over de Bawòng wist te vertellen dat dit door Europese oren kan worden gehoord en begrepen. En gemediteerd. En gelezen over andere mensen die soortgelijke ervaringen hadden gehad. Zo las ik tot mijn grote troost bij Sri Aurobindo, dat mijn ervaring ‘daarboven’ een duizenden jaar oude naam had: advaita: niet-twee. Ik had al die jaren nodig, niet om te weten wat me toen was overkomen, maar om het te kunnen herhalen. Niet in diezelfde heftigheid, maar voldoende om voor mijzelf te weten, dat mijn droom toch niet slechts maar een droom was geweest, wat je onder het geweld van het gezonde verstand toch telkens weer geneigd was aan te nemen. Ik schreef toen, onder het vage licht van de lampenkap, het uiteindelijke verslag. En nadat dit met nog weer veel vertraging was uit gekomen, toog ik naar Jokomakari in Itunda, maart 1990, met het eerste exemplaar van Laat de boomstam maar liggen. Ik had aan zijn verzoek voldaan: de mensen in Europa vertellen wie zij waren.
 
Ik ging met vragen: zou ik de taal nog weer kennen, zoals tijdens die zes weken dat de droom als een deken om mij heen gehangen had? Had Jokomakari werkelijk gemeend dat ik een stamhoofd was? En hoe zouden ze reageren als ik mijn heilige boom debacle opbiechtte? Het stond in mijn boek dus vroeg of laat zou het toch uitkomen.
Wat het Kiwòng betrof: tot mijn eigen ontroering verstond ik wat men zong ter ere van mijn aankomst. Toen ik daar vragen over kreeg en ik zei dat ik gedroomd had en dus.. - zeiden zij: oh ja dus. De trommels roffelden, de vrouwen gilden, iedereen extatisch en ik met hen: het was of ik in die hogere innerlijke ruimte geduwd werd waarin ik opeens het Kiwòng had leren verstaan. Jokomakari, inmiddels 82 jaar oud, voorkwam mijn vraag over mijn titel, door, toen heel het dorp zich verzameld had, een indrukwekkend lied te zingen over de komst van het stamhoofd. Het lied van ‘De adelaar en de leerling-tovenaar’ mocht enkel door een stamhoofd gezongen worden, en wel ter ere van de komst van een collega. En mijn derde vraag: mijn biecht over de gestolen pijlpunt had een volkomen onverwachts effect. Nadat ik verteld had hoe ik daarom zo haastig na drie dagen geheel verslagen was vertrokken naar Idiofa, en hoe ik weer vier dagen later, het leefgebied van de Bawòng echt verlatend in het vliegtuig naar Kinshasa merkte, dat de schurft even plotseling was verdwenen als het voorheen was gekomen, barstte iedereen in een homerisch gelach uit. Ik had tot mijn eigen verbazing maar weer eens aangetoond hoe groot medicijnman ik was: om zo iets dwaas te durven wagen en er nog goed van af te komen ook. Het was een variant van ons gezegde, begreep ik: je moet wel ontzettend geleerd zijn om zo stom te kunnen wezen. Mijn reputatie had er enkel maar door gewonnen. Toen iedereen uitgelachen was vroeg men, enkele dagen later, wat ik met die pijlpunt gedaan had. Ik vertelde dat ik hem netjes bewaard had in een doos samen met de andere cadeautjes, en dat op zekere dag de pijlpunt weg was. Ik had het als een opluchting ervaren, een genoegdoening, alsof de pijl op eigen kracht weer teruggegaan was naar het bos. ‘Dat is ook zo’ zei Jokomakari met overdonderende zekerheid, ’wat van het bos is keert terug naar het bos.’ Hierop lachte niemand, ik al helemaal niet.
 
Jokomakari vroeg of ik de strijkpop, die hij voor mij had ingezegend, vaak gebruikt had. Ik antwoordde van niet, maar ik verzekerde hem dat ik er wel vaak in Europa over had verteld..
Een strijkpop is een beeldje van dertig, veertig centimeter lengte en vijf, zes centimeter hoogte. Iedereen die een beetje handig is kan zo'n pop snijden uit om het even welke houtsoort. Voorschrift is echter dat het vier poten heeft en een staart, en dat het hoofd van het beestje - meestal een mensenhoofd, soms ook een dierenkop - achterom kijkt. Het heeft de kop dus achterstevoren gedraaid, zodat het gezicht aan de kant van de gladde, platte rug is. Over die rug wordt een dop gestreken. Blijft de dop bij het strijken stilstaan, dan betekent dat, dat de waarzeggerspop beet heeft, en het antwoord 'ja' is; glijdt de dop door, dan is het antwoord 'nee'.
De medicijnman zit plat op de grond, beeldje voor zich, en maakt zijn riem los. Het raffiakleed, dat de Bawòng als een badhanddoek om de lendenen dragen, trekt hij daarmee ritueel uit. Hij zit naakt op moeder aarde, om de geest van Vader daar boven, ver boven de lampenkap uit, te raadplegen. “Vader ben je daar? “ is de eerste rituele vraag. Het is daarbij zaak dat hij niet de dag/nacht tevoren geslachtsgemeenschap heeft gehad. Is dat wel het geval, dan zal hij de cliënt heen sturen en vragen morgen terug te komen.
Deze onthouding was heel essentiëel - en iets dat mij, celibatair priester van de RK kerk bijzonder interesseerde. De Bawòng hadden namelijk een zeer gevarieerd seksleven. Polygamie in de beide varianten: polygynie (veelwijverij) en polyandrie (veelmannerij), plus de bedvriendschap (vrienden ruilen alles, ook hun vrouwen - tenminste als deze laatsten het er mee eens zijn) , plus de Zus-van-de-Leeuw (werd door het stamhoofd bij zijn intrede aan het volk geschonken), plus (deze laatste variant was een vinding van de vrouwen ) de vriendin-in-het-bos.
Dat in deze uitbundig levende maatschappij onthouding werd gepredikt was voor mij een verademing. Hier kon je niemand ervan verdenken seksualiteit van minder waarde te achten, althans als te weinig van waarde om het hogere en heiligere te naderen. Integendeel, het ging erom juist zoveel mogelijk seksualiteit te hebben – in die gevallen dat je de grenzen van het gewone leven wilde verleggen. Zoals het geval was met de strijkpop. Of ook als men op jacht ging, een onderneming op leven en dood. Dan werd in het hele dorp afgeroepen: mannen slapen vannacht op de divan, de vrouwen op bed, want morgen gaan we het gevaar tegemoet. De onthouding had een functionele waarde.
De strijkpop, zo heette het, was een pijl die je afschoot op een everzwijn. Soms raak, soms mis. De Bawòng die toch zo ervaren waren in het hanteren van de strijkpop, waren bescheiden in het claimen van resultaat. Het betekende namelijk twee keer mis, één keer raak.
 
2e stap: voorbij het voelen
 
Terug in Nederland viel me pas in: ze hadden natuurlijk de pijl in het busake-gif gedoopt, en na jaren had ik de punt beetgepakt, om via Mpeemp me achter het rechter oor te krabben. Het deed er niet meer toe. Wat er wel toe deed was mijn pastoraal werk temidden van de psychiatrische patiënten, die ook de grenzen van tijd en ruimte vaak wisten te overschrijden, maar niet wisten waar zij aan toe waren  Naar mijn vaste overtuiging verkeerden zij dan in de grote tijd/ruimteloze ruimte, welke ik had ontdekt, en die sinds eeuwen de eeuwigheid wordt genoemd
De brug tussen de wereld van de Bawòng en die van de patiënten werd geslagen door de strijkpop: die keek naar achter, zag met de rug. De medicijnmannen van de Hoeve wisten mij te vertellen dat het ongetwijfeld te maken moest hebben met het hersen-ruggenmerg zenuwstelsel. Dat is één doorlopend circuit. Het dagbewustzijn kent met het hoofd, het nachtbewustzijn met de rug. De patiënten zakten onbewust in de rug en leden dan aan paranoia, dat begon met achterdocht, en verhevigde tot achtervolgingswaan: dan dacht je het niet enkel, maar wist je het zeker. En dat is ook zo, want in die tijdloze ruimte gebeurt alles. Zij konden echter niet op tijd terugschakelen naar hun hoofd, om daar te weten, dat datgene wat echt aan het gebeuren is, nog vele jaren later pas zal plaats vinden.
 
Zij wisten niet wat er speelde, maar ik wist het ook niet. Want mijn advaita-kennis was slechts lege kennis. Ik zag wel mijn eigen gedachten, ik beheerste de taal voor zover ik hem geleerd had ( en niet verder!), maar ik kon niet zien wat anderen zagen of dachten. Ik had slechts de eerste stap gezet op de weg naar de verlichting. Het ging er nu om de tweede stap te zetten door alle gevoelens ook zo los voor je te zien liggen. En weer hielp de strijkpop. Het was een dier dat achterom keek, en wrijvend over haar rug, leerde je kijken via je eigen rug. Het was het dier in ons dat moest ontwaken.
Ik droomde dat ik op een kameel reed, een kameel met een vrouwenhoofd, dat heel zachtjes in mijn voorhoofd beet, op de plaats waar de Hindoes de heilige stip zetten, en tegelijk voelde ik achter onder op mijn rug, daar waar het strijkpopdier haar staart droeg, de vitale energie, de ki – opgewekt door jarenlang zen-meditatie. (Dit Japanse ki-woord niet verwarren met de ki van de Bawòng, dat ‘taal’ betekent).  De verbinding tussen de twee punten voelde ik echter niet. Ik begreep opeens: door dat wrijven verbindt de medicijnman alle cakra’s, die van boven het gewone bewustzijn tot die van onder dat bewustzijn. Ik had het totemdier ontdekt: je hoeft het je maar te visualiseren en alle gevoelens verenigen zich!
Met dat magische beest kon je zo maar rondrijden in die lege ruimte van de advaita. Anderhalf jaar was zij steeds weer bij me: in  dromen, tijdens de meditaties waarin ik de ki in haar cadans voelde kloppen, en éénmaal in de auto. In het verkeer rond Hilversum voelde ik zomaar een aanwezigheid, rechts naast me. Ik keek tersluiks naar haar (zag niets) maar de stomme dialoog deed me goed. Ter hoogte van Bunnik ontsnapte me de vraag: ‘Wat zou jij dan willen?’ En ze antwoordde bijna net zo duidelijk (een echte ‘stem’ dus, foei, en dat nog wel voor een pastor werkzaam in de psychiatrie) : 'Ik zou met je willen spelen; ik barst van de energie en weet alles en zou je dat in een liefdesomhelzing willen geven; jij zit maar achter die mentale plaat te denken en te peinzen; we zouden leuke dingen kunnen doen in de wereld om ons heen; maar als jij niets vraagt gebeurt er niets.' Er ging een golf van energie door me heen, vreugde, dankbaarheid, onoverwinne­lijk­heid.
Het deed me dan ook bijzonder genoegen toen ik later las dat het paard van Mohammed waarop hij naar Jeruzalem reed, ook een vrouwenhoofd had. Het moest zo zijn, want hij reed naar Al Aqsa, dat Het Einde betekent, net zoals Itunda, het dorp van de Bawòng. Maar een andere ziener hielp mij nog meer op weg. Nietzsche vertelt in Also sprach Zarathustra dat de mens die op weg gaat naar ‘het worden die hij is’ drie transformaties ondergaat: eerst is hij een kameel, vervolgens een leeuw en tenslotte een kind. De kameel verdraagt alles, maar dan ontwaakt de leeuw die brullend zich verzet, om uiteindelijk in een kind te veranderen, dat zelfs zijn eigen ik heeft overwonnen en aldus één wordt met heel de werkelijkheid.
Dat ervoer ik na een daverende botsing met mijn collega pastor Hanna, begin 1994. De schok maakte dat de ki niet enkel intra- , maar nu ook inter-psychisch werkte, met een bijna orgastische intensiteit. We hoefden er enkel maar aandacht aan te schenken, of niet, en de ki trad in werking, of niet. Zomaar, op afstand. Tussen ons voelde het dan als een liefdevolle aanwezigheid bij de ander zonder enige begeerte, wat het kuise, heilige, zusterlijke karakter, zoals wij het ervoeren, ervan verklaarde. Het was niet-twee zijn. Wat je bent, daar kun je niet naar verlangen. Het was ontzagwekkend, verheven, genadevol en tegelijk heel knus en huiselijk gewoon. En het was echte energie – levensenergie, prana, stiltekracht, ki, bunono volgens de Bawòng  -  die ook werkte op grotere afstand. Eens ‘lukte’ het me om op die stroom me lichaamloos mee te laten dragen naar haar huis, twintig kilometer verder. Volkomen bewust en klaar wakker was ik daar in hun hal aanwezig met het heldere besef: ik ben nu hier en mijn lichaam is daarginds thuis, en een moment later was ik weer bij mijn lichaam thuis, om deze manoeuvre daarna nog twee maal te herhalen. We noemden het gloeien.
De energie die tussen Hanna en mij heen en weer golfde, was er ook tussen mij en de patiënten, zij het dat de energie nu een volkomen neutrale kleur had. Ik wilde persé eenrichtingsverkeer, omdat zelfs de schijn van ongewenste intimiteiten in de psychiatrie zeer onaangenaam kan uitpakken. Dat nam niet weg dat het bonafide energie was. Zat Herman, een deerniswekkende schizofrene man, te jeremiëren over de stemmen die hem zeiden dat hij toch naar de hel zou gaan, de schunnige woorden die als hij zat te bidden zo maar uit zijn mond dreigden te rollen, dan humde ik wat van oh, en ach, maar ondertussen stuurde ik, me concentrerend op mijn eigen hart en buik, de ki op hem af. En al gauw zei hij dan met verbazing: ‘Als ik bij u zit ben ik helemaal genezen.’ Maar hij had de deur van de pastoraatskamer nog niet achter zich gesloten, of al zijn ellende stortte zich weer op hem. Hij was zo lek als een mandje.
Het kwam doordat de drie transformaties van Nietzsche, de kameel, de leeuw en het kind, slechts stap twee van de mystieke weg vormden: de Leegte waarin alle gevoelens in volkomen harmonie worden gebracht en ‘los’ voor je liggen en zich van tijd en ruimte niets meer aantrekken. Nodig was stap drie: dat al je handelen en willen in de Leegte worden geplaatst. En dit bracht mij terug naar de heilige boom van de Bawòng.
 
3e stap: voorbij het doen
 
Op zich is het helemaal niet logisch dat jagers op een boom schieten: je breekt er je pijl mee en raakt zeker niet het everzwijn. Het was een daad als die van de boogschutter van de do-technieken van Zen: judo, kado, kyudo. Die mikt niet op iets buiten zich maar op zichzelf. De medicijnman zat naakt op de grond met zijn strijkpop tussen de dijen, nadat hij zich van seks onthouden had en zijn pijl van liefde niet op een ander, maar terug in de boom, die hij zelf was, had geschoten. Zodat de ki van zijn kruin tot in het wortelcakra kon heen en weer golven. Het ging er dus om het motorisch zenuwstelsel van het vegetatieve los te koppelen, het dier in ons van de boom. Die niet beweegt omdat hij geworteld is in heel de aarde: hij staat stil en doet door niet-doen. Wie de boom in zichzelf realiseert, door alle ki te verzamelen, zodat wat overblijft in hout verandert, wordt katatoon. De patiënt per ongeluk, de medicijnman met opzet, iedereen in de rigor mortis. Daar achter ligt de vrijheid, niet door als een ‘gloeiend’ kind heel de rest te vergeten en overal juichend door heen te suizen (stap 2), maar door heel de rest in verantwoordelijkheid in zich op te nemen en te transformeren. Want terwijl zijn losgekomen ki-lichaam naar overal-en-altijd uitstraalt, staat het hout als een raster van tijd en ruimte om de medicijnman heen, zodat hij de boze geesten hun plaats kan wijzen en de verloren voorwerpen op de juiste coördinaten van tijd en plaats weet te vinden.
Waar die heilige boom zich bevond, ontdekte ik toen ik midden 2003 – na 30 jaar zen-meditatie, 32 jaar huwelijk, 34 jaar werkzaamheid in de psychiatrie – als een leerling-tovenaar in mijn eigen grote droom binnendrong.    
Er lag een Douglasspar in onze achtertuin, zo'n reus als die welke ik twee jaar eerder in Canada had gezien. Die bomen waren wel 100 (honderd) meter hoog en 800 (achthonderd) jaar oud. Dat je zo’n boomstam moet laten liggen, behoeft geen betoog. Ik wandel erlangs en besef dan dat het huis wel geplet moet zijn, maar dat is toch niet zo. Als ik dichter bij het huis kom – “in het lichaam of buiten het lichaam, ik weet het niet, God weet het”, zeg ik Paulus van de Corinthiërs na - zweef ik verder het beeld inen zie dat de boom haar energie vermengd heeft met de energie van het huis, zodat ze één geworden zijn. Ik voel het daarop rond mijn heupen – ik ben kennelijk wakker, ook al droom ik - en ik weet, dat dat mijn eigen energieën zijn: de energie van mijn bewuste lichaam, de energie van ons huis, van mijn leven met Janny en de eeuwige energie van de ki. Die eeuwige energie heeft zich zo door heel mijn bewuste werkelijkheid heen geboord, dat het zich nu aan de andere kant, aan de kant van het dagelijkse leven heeft gemanifesteerd. Van binnen naar buiten, zoals dat heet, en van buiten naar binnen. Ik bevind me tussen de kruin van de boom boven het huis en kan zo maar het dak van het huis aftillen.
Het Chinees/Japanse pictogram van de Leegte – Sanskriet Sunyatta, Japans Ku – waar het allemaal om begonnen is, is een huis waar het dak van af is, zodat je van binnenuit de grote leegte van de luchten, waarin alles zich afspeelt, kunt zien.
De heilige boom van de Bawòng groeit in ieders achtertuin.
  
 
 
 Toon van Buren
 
Charles Eyck
 
 

 

 

SiteLockNTER>