Persoonlijke bijdrage van:

Andre van Kempen

HERINNERINGEN VAN ANDRÉ VAN KEMPEN         

 

Mannen van Ravensbosch,

 

Reeds velen hebben getracht een verslag te maken van de gebeurtenissen die zich onder ons hebben voltrokken, in overeenstemming met wat ons is overgeleverd door degenen die van het begin af ooggetuigen zijn geweest…… etc. (Lk, 1: 1-2)

 

Ook ik heb heel veel goede herinneringen aan Ravensbosch, eerst als student en later een jaar als leraar latijn en grieks. Toch was ik heel gelukkig dat ik vrij gauw daarna  in de catechese mocht gaan werken. Rome had ons gedurende de 7 jaren overigens op dat gebied niets bij gebracht. Wel konden wij Vaticanum II van dichtbij met huid en haar mee beleven. Maar dat is weer een ander verhaal.

 

Als ik aan Ravensbosch denk  is mijn eerste gedachte heimwee. Tot op de huidige dag. Het begon met de eerste reis naar Valkenburg. Mijn heeroom Tonny Evers bracht ons weg: mijn ouders en mij. Pater Uitterhoeve  gaf een plek op de grote slaapzaal ‘waar nog niemand was neergelegd’. Het was daags voor de grote intocht Zelden heb ik me  zo verlaten  en machteloos gevoeld. Het blijft een regelmatig terugkerend thema in mijn dromen. De wekelijkse brief van thuis heeft in deze heel veel voor mij betekend. Hoewel er toentertijd uiteraard geen sprake van kinderen kon zijn,  wist ik heel zeker dat ik ze nooit naar een internaat zou sturen. Wat was ik soms jaloers op Willy Houben z.g. die regelmatig bezoek kreeg van zijn lieve zus Fieny en op Jozef Hoen van wie de was door iemand van thuis werd gehaald en gebracht..

Naarmate het einde van de vakantie in zicht kwam begon mijn heimwee op te spelen. Na de eerste kerstmis thuis vertrok ik half ziek naar de trein in Nijmegen. En het geschiedde dat we de Maas nog niet gepasseerd waren of ik had de nieuwe grijze overjas van Toon Tonen al gedeeltelijk een nieuwe kleur gegeven. Het galgenmaal was boerenkool met worst geweest. Dat vloekte gelukkig niet echt.

Tijdens het rozenhoedje bleef ik lang staan bij de opening in de haag naar het voetbalveld toe, d.w.z. richting Noorden. Ik bad niet voor een goede uitslag van de wedstrijd PSV – NEC. Menig Weesgegroetje werd met een intentie gebeden die afweek van de meeste biddende kameraden in het laantje.

Tijdens de vroege maandagochtend zitting in de grote studiezaal  kon pater overste je en plein publique zo fijntjes te kijk zetten (om niet te zeggen in de vloeistof) omdat je ondeugend was geweest Wat voelde ik me dan eenzaam en gekleineerd. Discussie en uitleg waren uitgesloten. (In brieven van kinderen binnen de rubriek “achterwerk” op de achterkant van de VPRO gids staat dan steevast: ‘zijn er meer die zoiets hebben meegemaakt ? ‘) Ontegenzeggelijk heeft Pater Floor de Grauw onschatbare verdiensten gehad voor Collegium Carolinum; zonder zijn voortdurende ‘schooi acties’ hadden we wellicht kou geleden en weinig te eten gehad. Maar van gezelligheid had hij onvoldoende kaas gegeten. De sfeer op Ravensbosch in die dagen zal mij mijn leven lang blijven heugen. Inmiddels weet ik maar al te goed dat er maar één enkel middel tegen heimwee is. Maar daar was ik nu net niet van gediend.

 

Toen ik later in zwart pak in Arnhem in mijn eentje de trein nam voor een zevenjarig scholastikaat  zonder onderbreking in Rome, huilde ik als een kleine jongen. Een wat oudere heer tegenover me vroeg wat er aan de hand was. Mijnheer, ik moet voor zeven jaar naar Rome, was mijn antwoord. Daar wordt U toch niet opgesloten, eerwaarde, probeerde mijn reisgenoot bemoedigend. Hij bood me een sigaar Elisabeth Bas aan. Die dame bracht enige troost, zij het maar tien centimeter lang.

Mijn heimwee werd extra vergroot door het ‘spel van verkennen’. Uitgerekend op zondagavond als men thuis gezellig bij elkaar zat en een spelletje deed of naar mooie muziek zat te luisteren werden wij getrakteerd op een eigenaardig spelletje. Rond het Joodse kerkhof bij iemand van een andere patrouille een zakdoek achter uit de broek trekken. Zou er toch een link te leggen zijn tussen het gedachte goed van de stichter Mgr. De Mazenod en de idealen van Baden Powell? In elk geval had Father RRRientjes de wind er onder.

En het geschiedde dat zich daaraan vooraf gaand een merkwaardig tafereel afspeelde. Ondanks onze zondagse outfit werd er tussen 14.00 – 16.00 uur gedoucht. Naast de bakkerij in de Duitse vleugel was een natte cel met bijzonder weinig ventilatie. De dienstdoende jonge pater die voor de goede orde garant stond moest voortdurend zijn bril poetsen om zijn breviergebed te kunnen voortzetten. Het natte gedeelte was vanzelfsprekend van korte duur – stel je voor! Toch werd die exercitie voor een deel goed gemaakt door het brood dat rechts voor ons op schappen in de wachttijd ons uitnodigde om een stukje van de korst af te knabbelen. Eenmaal terug in de ‘vrije studie’ kon je je geestelijk alvast voorbereiden op de missionaristraining in het struikgewas. Voor de vespers of completen moest je je dan weer opfrissen.

 

Wat me ook altijd bij zal blijven waren de momenten waarop je gesnapt werd. De prefect had er een handje van om op de hoek van het natuurkundig laboratorium van pater Lempens je op te staan wachten. Ik kwam met mijn beste vriend uit die jaren, Piet Weijs z.g., de rozenkrans rustig babbelend aanlopen. We hadden het uitvoerig over een van “de glorievolle of droevige geheimen”. We liepen pardoes in de fuik. Onbeweeglijk stond/lag Pater Uyterhoeve op de loer. Het feit dat hij dan niets zei, dát was pas dodelijk. Met een rooie kop vervolgden we gescheiden ons pad.

Waar ik ook vreselijk het land aan had was te laat de refter binnen te komen. Iedereen zag je, vooral de overste. Maar daar had ik het volgende op gevonden, sprak Paul van Vliet ooit. Ik ging eerst rechtsaf via de grote gang naar het luik in de keuken. Daar werden de verschillende schalen en kommen uitgereikt aan de ‘dienaren’. Zonder een spier te vertrekken liep ik dan met een bak stamp naar mijn eigen tafel, zette het eten op tafel en ging rustig zitten. Daar heeft nooit een haan naar gekraaid.

Binnen de refter hadden wij een bijzonder monetair fonds gecreëerd. Onze portemonnaies (in Limburg heette zo’n ding voortaan ‘beurs’) dienden we na elke vakantie in bewaring te geven tot de koffers opnieuw gepakt werden. Wilde je wedden of iets van iemand voor een ‘zacht’ prijsje overnemen, had je alleen de pudding. Het gebeurde ooit dat sommigen hun pudding voor de hele komende maand al van de hand gedaan hadden. We hadden gewoon geen ander wisselgeld. Kwam er een pakje van thuis met een reep chocolade of een rol drop, dan lagen die keurig uitgepakt bij het middageten op je bord. Het voordeel was natuurlijk dat de overige tafelgenoten op hun beurt ook deelden wanneer er iets bij hun schone was gevonden werd.

In de refter stonden lange tafels met een richeltje eronder waar je je bestek en servet kon bewaren. Op het einde van elke maaltijd kwamen spoelbakken langs om het bestek te wassen en schoon te spoelen. Iedere camping met een dergelijk systeem kan zijn licentie onmiddellijk inleveren als de ANWB langs komt.

Om de twee jaar gingen we pas op Paaszaterdag naar huis. Als afscheid waren er dan voor iedereen minstens twee eieren. Menigeen dacht alleen maar aan thuis en at nauwelijks nog iets. Ik stopte een stuk of vijf eieren in mijn kastje onder de tafel om het verdriet na de vakantie enigszins mee weg te eten. Bij terugkeer na de Paasvakantie kreeg Jos Paspont mijn plaats toegewezen, als ik me nog goed herinner. Hij zal ongetwijfeld nu nog weten welke stank rotte eieren verspreiden.   

 

Maar Ravensbosch  kende ook veel leuke momenten. Want het geschiedde dat we een nieuwe overste kregen in de persoon van Fons Kusters. Hem ben ik heel veel dank verschuldigd.  En velen met mij. Voor mijn gevoel verdween er toen veel grauwheid uit mijn jongensleven.  Fons verstond de kunst om ons als volwaardige jonge mensen tegemoet te treden. Zijn achterland was ook wel even anders dan het kloosterleven.

Het buurt- en vormingswerk in Maastricht hadden hem een rompstand gegeven die voor een andere wind zorgde. Er kwam gezelligheid, een prettige kleine recreatie kamer, met leuke stoelen en tafeltjes, waar we leerden bridgen en zelfs een muziekje konden aanzetten. Veel van het Spartaanse leven werd bijgesteld. We hoefden niet langer “specialisten in alle klimaten te worden”.

Pater Fons Kusters had ook een degelijke bidstoel op zijn kamer staan. Ik weet nog dat ik me een hele vent voelde toen hij tijdens een gesprek – het was al laat – de deur van de bidstoel opende en een fles jonge Bokma met twee glaasjes voor de dag haalde. Fons was een levenskunstenaar, een Limburger uit het beste bronsgroen eikenhout gesneden. Toen ik later studentenpastor was ben ik nog vaak bij hem geweest samen met mijn vrouw Joke. Ook toen verliepen onze gesprekken in dezelfde hartelijke sfeer die hem zo eigen was. Onvergetelijk blijft voor mij het afscheid een paar weken voor zijn dood. Met tranen in de ogen hebben we samen psalm 139 gebeden. Ik was dan ook dankbaar dat ik tijdens de uitvaartmis in Lemiers een eigen in memoriam aan hem mocht wijden. Ik durf gerust te zeggen dat ik zonder hem nooit priester geworden was en gebleven.

 

Dankzij Pater Kusters werd ook Carnaval een integraal onderdeel van het seminarie leven. Groots werd dat gevierd: met prins, raad van elf en heuse pronkzittingen. Via Fons luisterden we voor het eerst naar de sublieme Limburgse liedjes. Voor mij persoonlijk werd het helemaal tof toen ik als eerste in de Carolijnse geschiedenis mijn gymnasium alfa in Heerlen mocht gaan afmaken. Ineens Limburgse jongens die me bijles Limburgs gaven. Eerst alleen, maar later met nieuwe vijfde klassers:  op de fiets de Klimmener berg op en dan via een stukje Amstel Gold race doken we Heerlen  in.  We hadden een volkomen dwaze manier om andere mensen onderweg te groeten: “bon matin”. We noemden ons op een gegeven moment de ‘bonmatinisten’.De leraren Reus, ten Berge (Teddy)  en niet te vergeten Boonenkamp  (latijn, grieks en geschiedenis) zijn voor mij voor altijd in mijn geheugen gegrift gebleven, o.a. met Boonenkamps zijn veel geprezen filmcursus. En Pater Timmermans (den Tim) die op de blote voeten in sandalen onvervaard met ons op de cour voetbalde.

 

Ook een paar liturgische anekdotes  Om de twee jaar bleven we de Goede Week in Valkenburg en vertrokken de bussen richting Sittard pas na de Paaszaterdagviering. Daar ben ik nooit rouwig om geweest. De liturgie van die week is het mooiste van gehele jaar! Laat in de middag zongen we samen de z.g. donkere metten. Telkens waren er jongelui uit de voorbereiding de klos. Men stookte hen op dat ze voor die viering in het half donker bij pater Mullenders kaarsen moesten gaan ophalen. En wel vanaf een uur of twee. En het geschiedde dat die brave borst op dat moment natuurlijk precies bezig was met een `franse of griekse brief´ (lees dutje) . Er is niet veel fantasie voor nodig om de paaswensen te bedenken die de jonge knapen te horen kregen.

Het volgende heeft Leo van de Berg me verteld. Of heb ik het zelf gehoord?. Op een of andere hoogtijdag of was het bij de eeuwige geloften van een van de broeders, ik weet het niet, Joost weet het, hadden we een plechtige hoogmis met drie heren.  En het geschiedde dat in het tafelgebed “Te igitur…” plotseling N.N. stond. Het was de bedoeling in die dagen dat de naam van de plaatselijke bisschop werd ingevuld. De hoofdcelebrant kon niet op zijn naam komen.  Er viel een korte pijnlijke stilte. Toen souffleerde de diaken zachtjes, maar toch voor menigeen hoorbaar:’Guilelmus, heit de kloewetzak.” In onvervalst Limburgs.

 

Nog een historische uitspraak in onvervalst Limburgs kwam regelmatig uit de mond van  broeder Frusch: “Pater euverste,  ze bezèke dich allemoal”

 

Velen van ons denken wellicht niet met weemoed terug aan de vele uren die we in de studiezaal doorbrachten. We studeerden veel en degelijk. Zelfs in de gang liepen we met kleine dubbelgevouwen schriftjes – de ene kant b.v.het latijn, de andere kant het nederlands. Maar we hebben ongelooflijk veel geleerd op het gebied van talen. Ik heb daar later enorm veel plezier van gehad. Vooral in Rome en Fribourg. Ik ken nu nog hele rijtjes van buiten: mit, nach, nebst,seit, samt, bei, zeit, von, zu, zuwider, ausser, aus , gemäss en gegenüber. En de Schwere Wörter, de groene beul. En niet te vergeten de vele stamtijden in het Frans, Latijn en Grieks. Ik blijf erbij dat wij een uitstekende vorming op taalgebied gekregen hebben . Als je het taalonderwijs  momenteel daarmee vergelijkt ben ik soms geneigd te gaan huilen in zes talen. Hulde aan de leraren van die dagen. Pater Uiterhoeve had ons in de eerste klas in rijtjes, d.w.z. volksstammen in slagorde opgesteld: romeinen, galliërs, bataven en friezen. Zo streden we onderling in teamverband om de hoogste score latijn. Onvergetelijk blijft ook Pater Tromp met zijn geschiedenis onderricht. Zelden heb ik beseft van hoeveel belang de inzet van een leraar is voor de liefde die leerlingen voor een vak kunnen krijgen.  Nog zo’n self made docent. Geweldig toch. De rijtjes met jaartallen en korte toelichting zie ik nog op het bord voor me staan. Soms leefden we ons in in een bepaalde historische periode; Toen de riddertijd al onze aandacht opeiste spraken ook wij elkaar aan met ‘Heer’. Onze klas werd voor een paar maand bevolkt met Heer Pieter (Boonman), Heer Kleus (Piet Kleuskens), Heer Dries, etc.

Onder de leraren blijft ook bij mij een heel bijzonder plekje voor Harry Prick. Het vak nederlands werd met zijn komst een feest. Velen van ons heeft hij tot fijnproevers gemaakt voor altijd. Orde in het klaslokaal was beslist niet zijn sterkste kant, maar hij compenseerde dat meesterlijk met hetgeen hij te melden had. Hij vertelde zo graag en uitbundig over zijn persoonlijke vriendschappen met schrijvers en literaire grootheden van toen. “Mijnheer, hoe was het boekenbal eergisteravond?”.” Nou heel gezellig: een kneepje hier, en een kneepje daar….”. Eens had Prick bergschoenen gekocht. Het advies om er eerst een paar weken mee rond te lopen alvorens de bergen in te trekken, volgde hij prompt op. Met zijn boeken onder de arm kwam hij de volgende dag aanstappen. Alsof de Mont Blanc binnen handbereik lag. Op een dag zorgde Japie van Buren voor stennis achter in de klas. Iemand had zijn potloot ingepikt. Jaap wilde het op stip en sprong terug, het conflict dreigde uit de hand te lopen. Midden in een gloedvol betoog over de tachtigers klonk het plotseling: “Maar van Buren, van Buren, zo’n potloot is toch geen halszaak.” In zijn beleving zou Lodewijk van Deyssel daar hooguit een telefoonbriefje aan gewijd hebben. Zo dacht hij, zo sprak hij, Harrie G.M. Prick..

Pater Pieke Lempens verdient toch ook nog een extra vermelding. Hij zorgde figuurlijk voor de aanwas van nieuwe junioristen. Nog meer succes oogstte hij met zijn scheikunde proeven in zijn voor alpha’s mysterieuze lokaal achter de schoenzaal. Gelukkig lag het laboratorium in een uithoek van het huis want nu en dan was een mini- non-proliferatieverdrag geen luxe geweest. De ramen moesten plotseling open. De toekomst van de oblaten dreigde aan rookvergiftiging ten onder te gaan.    

 

En het geschiedde dat de hoogbejaarde Broeder Urlings zijn zoveelste kloosterjubileum ging vieren. Ik heb de broeder nooit anders gezien dan in een rolstoel. Gezien zijn beminnelijke glimlach  was hij denk ik niet ongelukkig met zijn beperkte mobiliteit.  Iemand was op het idee gekomen om ons  te vragen waarmee we Broeder Eurlings een plezier zouden kunnen doen. Ton Bredie kwam op het idee uit te zien naar een paar stevige rolschaatsen. Dit plan werd allerminst gewaardeerd van hogerhand. En wij vonden het juist zo’n  prima grap.

 

Op muzikaal gebied heerste er op Ravensbosch een uitgesproken gunstig klimaat. Toen nog met oude grammofoonplaten en een zelfgebouwde bandrecorder werden er audities georganiseerd om ons vertrouwd te maken met klassieke muziek.  Veel mensen kregen pianoles en pater Voogt heeft mij ook zo de beginselen van het klavierspel bij gebracht. Zelf was hij een kanjer. Nauwelijks aangekomen in Valkenburg zat ik al bij het jongenskoor en zodoende zongen we vaak boven bij het orgel. Voor en na de diensten was het pas echt feest: We klommen met een aantal op de opstap dicht tegen de speeltafel aan . Met eigen ogen en oren genoten we van het spel van Pater Voogt. Met name de Toccata’s en fuga’s van Bach, de koralen van C.Franck en een fanfare van Flor Peters, die Martien Noordermeer later ook in de vingers kreeg. Ook het gregoriaans kregen we uitstekend onder de knie. Die schoonheid is voor mij onaantastbaar gebleven. Oosterhuis, Huijbers, Oomen, etc. hebben voor prachtige vervanging gezorgd tot in onze dagen. Maar dat komt ook door het engagement en de eigentijdse vertaling van het bijbels getuigenis dat er uit spreekt. (zie eventueel bijlage : “de steppe blijft maar bloeien.”) Later mocht ik in Rome het dirigeerstokje ook voor een paar jaar hanteren. De basis was gelegd op Carolinum. Ik zie ons nog binnendoor gewapend met het Liber Usualis helemaal naar Meerssen wandelen om daar in de basiliek te zingen.

Jaren later kreeg Ravensbosch een eigen harmonieorkest, en van een heel behoorlijk gehalte. Pater Bauhuis was de leidende kracht, de dirigent was de heer Janssen. Die kwam niet ver uit de buurt en was door Fons Kusters binnengehaald denk ik. Hij genoot zelf van onze repetities. Op een hoorn heb ik zelf nog een tijdje meegeblazen.

 

Het is inmiddels 1965. Het jaar dat ik opnieuw in Valkenburg belandde, kersvers uit Rome: leraar latijn en grieks. Het was de tweede keer dat ik de plaats innam van Ben Annink.

Hoewel in Rome tijdens de colleges bijna uitsluitend  latijn gesproken werd, was dit leraarschap geen succes.

Ik werd al snel leraar catechese in Gouda. Daar heb ik alleen maar goede herinneringen aan. Minder aan het verblijf op de pastorie van Capelle aan de IJssel. De charismatische Henk Schram, terug uit Sri Lanka, benaderde mij in 1968 om international chaplain te worden in Fribourg, Zwitserland. Daar was het hoofdkwartier van de International mouvement of catholic students gevestigd. Van daar uit ben ik maandenlang getrokken langs studentenpastoraten in alle werelddelen behalve Australië. Onuitwisbare Indrukken en  rijke vriendschappen heb ik eraan overgehouden.

In 1972 zat mijn termijn erop. Een doctoraal studie pastoraal theologie in Nijmegen maakte me duidelijk dat ik voor het concrete handwerk in het pastoraat nog heel veel te leren had. Naast allerlei niet strikt theologische vakken heb een paar jaar mogen smullen bij pater Schillebeeckx. Zijn theologie is voor mij bepalend geworden tot op de huidige dag.  Mijn doctoraal scriptie had als onderwerp: “De vrede zal ons een zorg zijn”, over het vredeswerk in parochies en gemeenten.  Het geschiedde namelijk in die dagen dat er weer een internationale Pax Christi voettocht werd georganiseerd door Pater Piet Verkoelen. Ik had me er opnieuw voor aangemeld. In mijn eentje als leider/aalmoezenier van 50 jongelui uit negen verschillende landen te voet door Catalonië  leek me wat te veel van het goede. Bij de voorbereiding in Den Bosch nodigde ik Joke Corstens uit als mijn partner voor Spanje. Ik had mij geen betere voorbereiding kunnen wensen om samen aan een tocht te beginnen. We zijn nog steeds en route….Joke en ik trouwden op Hemelvaartsdag 1975 op het kasteel in Gemert. Mijn aanvraag aan Rome was: doorgaan op de eenmaal ingeslagen weg, Niet langer alleen dus, maar samen met Joke. Voor dit verzoek was geen laatje in de romeinse burelen. Tant pis.  Eerst met haar naar Den Haag: zij mentrix van aankomende  verpleegkundigen, ik als adjunct-secretaris bij Pax Christi – IKV. Daar  heb ik mijn beste beentje voor gezet om samen met Mient Jan Faber de kernwapens te wereld uit te helpen, om te beginnen uit Nederland. Dat bracht mij in 1976 voor een preekbeurt op vredeszondag naar de studentenkapel in Eindhoven, waar men juist op zoek was naar een nieuwe studentenpastor. Mijn huwelijk hoefde geen bezwaar te zijn. Mgr. Bluyssen legde me niets in de weg om binnen de studentenkerk te doen wat heilzaam en nodig was voor het pastoraat. Met een beperkt aantal collega’s in den lande ben ik zo gelukkig  geweest dat ik volledig heb kunnen doorfunctioneren tot op de huidige dag. En dat in een volstrekt oecumenische setting.  Evenals Toon van Buren heb ik de ervaring dat het prima werkt. De jonge lui vonden ons alleen maar eerlijk. Nooit heb ik last gehad van enige bisschoppelijke bemoeienis. In tegendeel. Maar ik heb het dan ook over bisschop Bluyssen. In deeltijd ben ik toen ook gestart als docent catechese en ethiek aan de Fontys Hogeschool. Inmiddels geniet ik al weer een aantal jaren van mijn pensioen. Wij hebben geen kinderen. In mijn vrije tijd ga ik nu en dan nog eens voor of geef een lezing over religieuze muziek. Om de veertien dagen ben ik beschikbaar op donderdag in het stilte- en ontmoetingscentrum in Hoog Catharijne. Het kontact met de mensen die veelal met hun ziel onder de arm komen binnenlopen ervaar ik als een verrijkende  aanvulling met veel voldoening op mijn toch wat eenzijdig pastoraat in het verleden.

 

Tot slot moet me nog wel  iets van het hart. Vooral de Ravensbosch-verhalen die intussen zijn binnengekomen bevestigen me opnieuw in mijn overtuiging.

Als er over vijftig jaar het vak kerkgeschiedenis nog bestaat,  komt men misschien wel tot dezelfde overwegingen.

Hoe heeft men toch ooit een selectiesysteem kunnen bedenken waarin tientallen jonge jongens begonnen aan een seminarieopleiding en dat tenslotte niet meer dan een handvol mensen opleverde voor de priesterwijding. En dan werd er ook nog doodleuk de kreet op geplakt: velen zijn geroepen, weinigen uitverkoren. Alsof Jezus dat toen zo bedoeld zou hebben. Mijn hemel !

Hoeveel jongens hadden geen prima functionerende pastor kunnen worden, als hen niet vroegtijdig de pas was afgesneden door middeleeuwse verordeningen en regelgeving ?  Hun inzet en toewijding voor de Zaak had toch net zoals bij Toon en mij ook binnen een andere levensstijl vorm kunnen krijgen?  Waren zij zoveel minder geschikt dan wij? Was het onderscheid tussen ons dan zo groot?  Waren zij dan minder geraakt en geboeid door het verhaal van de Man van Nazareth? Beschikten zij dan  over een beperkter onderscheidingsvermogen als het gaat om de spanning kerkelijk instituut versus het visioen van Onze Lieve Heer met zijn mensen.­Ik geloof er niets van.

 

Ik verheug me op een bijzondere Hemelvaartsdag.    

                                                                                          André van Kempen.

 

 

 

 

Pieter van Velzen:  Mariabeeld in de Vredeskerk Amsterdam

 

 

DE STEPPE BLIJFT MAAR BLOEIEN….

 

andré van kempen

 

“Omdat Gij het zijt, groter dan ons hart, die mij hebt gezien, eer ik werd geboren…” of “Licht, kind in mij, kijk uit mijn ogen of ergens al de wereld daagt…” Wie kent het niet? Heel de zondag blijft het in je hoofd klinken, de grondtoon die je tijdens de viering te pakken heeft gekregen en niet meer los laat.

En dan lees je een paar dagen later in TROUW dat een enkele kerkelijke leiders het werk van Oosterhuis afkraken en willen verbieden. Hoezo trouwens ? Inmiddels hebben de feiten ons weer ingehaald. Een aantal bisschoppen schijnt nu toch afstand te willen nemen van collega’s. Het blijft een vreemde zaak. Die willekeur is zeer verwarrend en ook wel ‘een beetje dom.’

Zijn liederen en teksten, tafelgebeden en overwegingen zijn simpelweg niet meer weg te denken uit de Nederlands talige liturgie en zelfs langzamerhand in Duitse en Engelse vertaling.

“Wat rond het jaar 900 in het Zwitserse klooster St.Gallen, wat rond 1200 de school van de Notre Dame in Parijs was en wat in de 17-de en 18-de eeuw de Europese hofkerken waren - iets dergelijk is in onze grootstedelijke dagen de Amsterdamse Studentenecclesia: een plek waar geconcentreerd en creatief, poëtisch en muzi­kaal gewerkt wordt aan de vormgeving van de liturgie".

Zo typeert de Duitse theoloog Alex Stock de invloed van het werk van Huub Oosterhuis. Bijna 40 jaar is hij nu al bezig en het gaat nog steeds door.  Aanvankelijk moest zij zich noodgedwongen "behelpen" met de klassieke melodieën, met name uit de reformatie en uit de schat van onze oude liederen binnen het Nederlandse taalgebied. Maar vrij snel  heeft hij zich kunnen verzekeren van de samenwerking met enkele uitnemende componisten die haarzuiver de teksten verstonden en aanvoelden. Zij  hebben er schitterend inspirerende muziek bij geleverd.  Huybers, Löwenthal, maar vooral natuurlijk het meest gelukkige huwelijk uit de laatste decennia de samenwerking met Antoine Oomen. 

 

Gunstige bedding.

Naar mijn mening zijn het vooral drie factoren geweest die het werk van Huub Oosterhuis een gunstige bedding en een meer dan goede ontvangst hebben bezorgd. Ik bedoel daar het volgende mee. In de loop der geschiedenis is vaak gebleken dat het er geweldig toe doet wanneer en hoe je iets nieuws brengt. Er zijn  elementen aan te wijzen waardoor hij de wind mee had.

 

1. Na eeuwenlange schoonheid van Latijnse liturgie, met het onomstreden  gregoriaans tekende zich binnen het levensgevoel van veel godsdienstige mensen een behoefte af om in de eigen taal - in woord en lied - te mogen vieren.


Eeuwenlang hebben wij als katholieken liturgisch droog gestaan. Wat tijdens de liturgie diende plaats te vinden stond tot in de kleinste details tussen de lezingen en gebeden beschreven en wee je gebeente als je er van af durfde te wijken.  En dit gold voor de gehele wereld. Toen  in de zestiger jaren Vaticanum II deze behoefte serieus nam, kwam er ruimte. Maar de geloofsgemeenschap beschikte nauwelijks over liturgisch materiaal. Toen Oosterhuis dan ook in de Studentenecclesia van Amsterdam gewoon heel praktisch aan de gang ging en hij de ruimte opeiste om te mogen experimenteren vonden zijn tafelgebeden en liederen (aanvankelijk op losse velletjes) heel snel hun weg.  Dwars door  Nederland en Vlaanderen. Hij beantwoordde dus geheel en al aan een algemeen ervaren behoefte.

 

2. In 1966 werd het eerste bundel teksten  en liederen gepubliceerd en opvallend genoeg hoef je er geen letter in de veranderen. Het enige wat aangepast dient te worden zijn de aandachtsvelden waarvoor gebeden wordt. Uiteraard is de politieke context veranderd.   Bid om vrede was binnen de kortste keren vertaald  in meer dan 15 talen. In het frans kreeg het de naam 'Quelqu’un parmi nous'. Iemand in ons midden, temidden van ons. Jezus dus. En daarmee heeft Oosterhuis exact aangevoeld en vertaald dat ons beeld van God al aan het verande­ren was en dat wij van een transcendente God (dus een god ver weg en hoog boven ons) ook steeds meer open kwamen te staan voor Onze lieve Heer zoals die in Jezus en verder in deze wereld zichtbaar was geworden.

 

3. Als gevolg daarvan kwam de sociopolitieke dimensie de kerk binnen en Ooster­huis vertaalde dat in teksten en liederen die tegelijk bijbels waren, en zodoende de krant naast die bijbelse traditie in het oog hielden. Zelf was hij voortdurend in de weer met en voor Chili, met  mensen die in Nederland te kort kwamen en hij oversteeg onmiddellijk en definitief alle conflicten van de Nederlandse kerkprovincie met Rome, en vooral over hemzelf  en zijn werk.  Trouwens, hij kon om zo te zeggen zijn tijd wel beter gebrui­ken. Gerechtigheid, vrede en solidariteit, dat zijn voor hem de kernwoorden die er toe doen, waar het om gaat.

 

toegepaste liturgie

 

Het meeste heeft Oosterhuis wellicht te danken aan zijn Amsterdamse Studentenecclesia  als liturgische werkplaats. Een levendige gemeente,  waar zondag na zondag alles 'uitge­probeerd ‘kon worden. Zijn manier van werken herinnert aan die van  J.S. Bach, die jarenlang wekelijks voor een nieuwe cantate garant stond. In alle vrijheid en rust hield Huub Oosterhuis vast aan de klassieke liturgie als grondmodel.  Met volle overtuiging staat hij sindsdien in  het spanningsveld van de bijbelse taal en traditie aan de ene kant en de uitdagingen van onze tijd aan de andere kant.  Tastend en zoekend, niemand uitsluitend noch verketterend, maar trouw op zoek naar de wortels van ons Joods-christelijk erfgoed en daar nieuwe vormen voor bedenkend. Dat veel gelovige mensen vandaag de dag  zich hierdoor aangesproken voelen is geen wonder. Hij slaagt er in  belijdende christenen van katholieke en protestantse huize  een stem te geven en voor hen een taal te scheppen waarin ze weer van harte hun geloof kunnen vieren en uitzingen. Zelf zegt hij: “Dé grote utopie, het visioen van vrede, van een wereld die voor iedereen menswaardig is, die hou je alleen levend als je erover zingt, als je ook je kinderen erover leert zingen.” ( Bijeen, mei 1999)

 

vijf aspecten

Oosterhuis’ geestelijk leiderschap zou je vanuit vijf gezichtspunten kunnen bekijken. Zijn werk nodigt uit de verschillende aspecten van zijn oeuvre met voorbeelden toe te lichten. Daarvoor is hier geen ruimte op dit moment.

a. Oosterhuis heeft talrijke teksten en essays geschreven die in de liturgie te gebruiken zijn of die ons gelovig worstelen met de werkelijkheid als uitgangspunt hebben. Bij hem kan zowel een maatschappelijke gebeurtenis als een bijbels verhaal inzet en opmaat zijn voor een verhandeling of overweging.  Gedichten, gebeden, maar vooral teksten met een dubbele bodem illustreren dat keer op keer. Bij de verlening van zijn eredoctoraat  zei hij : “De kunst van de liturgie doet een poging om het veel en slordig gebruikte woord ‘god’ te genezen van misverstanden, en in lied en voorbeden, schriftuitleg en dienst-van-de-tafel zo uit te spreken en te articuleren dat het wordt opgeladen met de kracht van bijbelse profetenvisioenen en psalmen.’ Bij alles wat er reeds in boekvorm bestaat heeft hij een aantal jaren geleden  een scheurkalender op de markt gebracht. Veel vrienden en bekenden hebben me laten weten dat ook zij zich dagelijks laten inspireren door een korte meditatie of gedicht; sommige van hen nemen ze op voorhand mee op vakantie. 

b. Oosterhuis heeft veel poëzie geschreven. Daar is hij eigenlijk mee begonnen in zijn Groningse studententijd. Vele dichtbundels blijven getuigen van deze kant van zijn pastoraat, zijn meest karakteristieke wellicht. Want Oosterhuis noemt zichzelf niet toevallig in de eerste plaats  dichter. Hierbij dient wel te worden opgemerkt dat hij in dichterland nu en dan met minachting wordt beschouwd. Daar staat tegenover dat het werk van weinig dichters zo vaak en met zoveel waardering wordt gezongen als zijn gedichten .


c. Huub Oosterhuis heeft als voorganger duidelijk een nieuwe trend gezet en daar trouw nu al ruim veertig  jaar vorm aan gegeven. Hij heeft naar mijn mening ook de oecumene tot haar recht laten komen. Hij probeert steeds het beste uit de verschil­lende tradities te benutten en van elkaars rijkdom te profiteren. Daarmee overstijg je in één beweging al het theologisch gekissebis dat veel mensen binnen en mis­schien nog meer buiten de kerken alleen maar als een tegen-getuigenis ervaren.

Zijn overwegingen en gebeden zijn nooit modieus. Ik zou zijn werk op dit gebied willen typeren als een poging om de nieuwe levensvragen en bestaanservaringen van vandaag de dag opnieuw tegen het licht te houden van ons geestelijk erfgoed dat in bijbel en traditie ligt opgestapeld.

d. Als liturg verricht hij  ook baanbrekend werk. Veel teksten die nu helemaal gemeengoed zijn geworden tijdens veel begrafenis­diensten bij voorbeeld  zijn van zijn hand. Maar het blijft niet alleen bij nieuwe teksten, ook soms wat oude en versleten symbolische handelingen krijgen weer zeggingskracht door een enkel woord dat hij een nieuwe lading geeft. De opbouw van vieringen op Goede Vrijdag en in de Paaswake heeft hij stevig ter hand genomen. Eenmaal op dat spoor heeft menigeen ontdekt zelf ook tot creatieve liturgie in staat te zijn.   Wat de tafelviering betreft heeft Oosterhuis ook zijn sporen verdiend. Talloze tafelgebeden heeft hij geschreven . Vaak hebben ze de vorm van  samenzang tussen voorganger, gemeente en koor/cantorij. Hiermee heeft hij dit hoogtepunt in de katholieke eucharistie ook meteen uit de sfeer van de magie gehaald en het opnieuw tot een echte communio, een gemeenschapsgebeuren gemaakt. Zo heeft hij  de gemeente haar avondmaal weer terug gegeven. “Tot zijn gedachtenis nemen wij daarom dit brood en breken het voor elkaar, om goed te weten wat ons te wachten staat als wij leven hem achterna”.


e. Oosterhuis dankt ontegenzeggelijk het meest zijn bekendheid aan de vele liederen die hij samen met echte beroepsmusici gecomponeerd heeft. Het zijn steeds liederen waarin de muziek dienstbaar is aan de tekst. En zo hoort het ook. De woorden krijgen reliëf, dankzij de muziek.  Sommige zijn zeer toegankelijk en liggen goed in het gehoor, anderen zijn wat moeilijker van taal en ook de muziek vereist  soms nogal wat deskundigheid van zowel zangers als pianist. Het grote voordeel van de meeste liederen van Oosterhuis is naar mijn mening dat de liedteksten nooit 'op slot' zitten. Zij zijn eerder suggestief dan dat ze bewerend of bezwerend van inhoud zijn. Het is geen vertaalde dogmatiek, op ritme of rijm, op  hele en halve noten gezet. Vaak is het vragenderwijs - zoekend en tastend - en door de veelvuldige beeldrijke taak ontleend aan de bijbelse visioenen nodigt het uit tot eigen invulling en actualisering. Zodoende zijn het geen vrijblijvende gezangen, je wordt ook uitgenodigd, soms zelfs uitgedaagd. Van dit soort kerkmuziek krijg je lucht, het schept in veel gevallen ruimte.

 

Kerkelijke censuur.

Op dit moment ken ik niemand die op zo’n suggestieve en inspirerende manier eeuwenoude bijbelse beelden weet te koppelen aan eigentijdse taal, vol openheid en ruimte. God, de mens, de schepping en de politieke realiteit van alle dag houdt hij bij elkaar. Zo zoekt hij naar zinsverbanden. Geen wonder dat zovelen zich in zijn oeuvre herkennen en er dankbaar gebruik van maken. Zijn medewerker Kees Kok schreef onlangs: ”De grote verdienste van het liturgisch werk van Oosterhuis blijft dat hij naar veler ervaring de liturgische bloedsomloop van ‘gehoord, gevierd en geleefd woord’ heeft hersteld en haar zo nieuwe levenskansen heeft gegeven.”

De recente poging van vernieuwde kerkelijke censuur moeten we mijn inziens opvatten als een uitdaging om de liederen van Oosterhuis te blijven zingen en  ervan te genieten. Hoe wij geloven, bidden en zingen in 2010 is toch een zaak van de gelovigen zelf. De leiding van de kerk heeft altijd veel rekening gehouden met de ‘sensus fidelium’, het algemeen geloof van de katholieken, met name als het heiligverklaringen en dogmaontwikkeling betrof.  Aan dat vertrouwen kan toch niet ineens paal en perk gesteld worden. Men zal toch niet zoveel mensen op hun ziel willen trappen.

Tenslotte : het feit dat talloze mensen binnen de kerken – katholiek en protestant - nog geloven is te danken aan de visie en het werk van Huub Oosterhuis. Als geen ander heeft hij in zijn niet aflatende liturgische creativiteit  ons opnieuw woorden en liederen gegeven om samen te vieren en elkaar te bemoedigen en zodoende het visioen van Onze Lieve Heer, begaan met deze wereld,  levend te houden.

 

 

 

SiteLock