1962

 
 

Carnaval 1962

Verslag van het regime van Z.H Prins Toon 1 op de dagen van 4,5 en 6 maart 1962.

Zondag 4 maart zaten tegen zeven uur Zijne Hooglustigheid, de Page en de Wijze Raad bijeen in de grote spreekkamer. De handschoenen waren nog wit, de veren ongebroken, de wijn was er nog, evenals de glazen. Koortsachtig werden hier en daar de laatste instructies uitgedeeld. In de verte klonk het geluid van de hofkapel, die onder een nog onrijpe klatschmars de zaal binnentrok, in haar kielzog de feestvierende menigte, het "plebs sancta", het "pleba hossens dum potens". Stipt elf over zeven opende de president de zitting en verzocht de ceremoniemeester Prins en Raad binnen te leiden, de hofkapel de carnavalsschlager 1962 in te zetten. En daar kwam de Raad, in smoking, de page in Oranjerood feestgewaad, zijne Hooglustigheid in het nieuwe wit-met-gouden prinsencostuum en de groene statiemantel en als bekroning de prinsenmuts met wuivende veren, die -ach,hoe schoon- een pauw, woonachtig in Arensgenhout, ons door de familie Dolmans had laten geven.

De zitting die nu volgde gaan we niet inb de finesses bekijken, maar we zullen alleen de hoofdmomenten behandelen. En het eerste hoogtepunt was het verschijnen van Pastoor Engelen uit Maastricht. Er werd aangekondigd dat hij zou spreken namens Pater Overste. Toen de Patoor was uitgesproken, ontstond er in de zaal grote deining. Deze was echter niet, temninste niet op de eerste plaats, te wijten aan de emotie, door pastioor Engelens speech veroorzaakt, hoe groot deze ook was, maar wel aan een witte figuur die inmiddels het podium was opgeleid. De in een laken gehulde persoon naderde het voetlicht en... daar viel het doek. De Opperbosjuul stond op het toneel. Even een stilte , wwaarin men de spreekwoordelijke speld had kunnen horen vallen, als iemand de tegenwoordigheid van geest had gehad om het ding te laten vallen... dan een gebrul waarbij de Harmonie in het niet verzonk. De Opperbosjuul was er. Hij schiep stilte. Toen sprak hij en schiep alaafs. De Opperbosjuul woonde de hele avond bij, vergezeld van Pastoor Engelen. De buutereedners van dit jaar waren 't Bojaaske (Pierre Nillesen) en het Guuljemke (Jan Derix). 't Bojaaske trok bijzondere aandacht door zijn voor deze gelegenheid speciaal georganiseerde limburgs. Ja, 't Bojaaske zong Limburgs. Nooit hoorde men een Utrechternaar beter "kallen". Ook de "Mexican Brill Boys", die dit jaar echter "Los Bananos" heetten, waren weer van de partij, met o.a de russische versie van "Och was ik maar". Een originele Quizz, geleid door de opperzegelbewaarder , besproeid met balonnen water- of confettivulling, voerde de stemming nog verder op. Ook de traditionele decoratieplechtigheid vond weer plaats. Onderscheiden werd o.a Pastoor Engelen voor zijn verdiensten als gastheer van de Opperbosjuul. De zitting sloot met een hosfestijn, waarbij men danig de beentjes van de vloer had. 's Anderdaags trokken de Prins en Raad bij het ontbijt in vol ornaat de refter binnen, enm bezetten de paterstafel. Deze charge werd zonder enige tegenstand uitgevoerd, omdat op de eerste plaats er maar weinig paters aanwezig waren en op de tweede plaats de aanwezigen i.p.v weerstand te bieden, hun vorst met open armen ontvingen. Na het korte defile in de kruisgang maakte iedereen zich gereed voor het galadiner. Nadat dan eerst het grauw de zaal had betreden vrolijk uitgedost, werden de gasten aangekodigd en binnengeleid. Onder hen viel vooral op het trio "LOs Bollos" (P.Schram, P.Koot en P.Defever), dat geheel uniform gekleed en gezind was. Ook zijn Hooglustigheid liet nu niet lang meer op zich wachten. Het diner verliep aldergenoeglijkst, de verschillende speeches waren zeer spits en raak geplaatst. De buurtreedners-avond was in de eerste helft veel minder dan de galazitting. De stemming ontbrak. Aanb het begin van de tweede helft , plaatste Prtins Toon zich echter voor de microfoon en ruide met drie woorden de menigte zo op dat van toen af de stemming op een ongeevenaard peil bleef. De buutereedners waren val alle maten en soorten, o.a. Br.J.Huydts, die voor zijn verdiensten werd gedecoreerd. Deze tweede carnavalsdag werd besloten met een waarlijk briljante naviering in de recreatiezaal van 4-5-6, door de "groten" (dus ook Paters en Broeders). Derde Carnavalsdag. De optocht der Bosjuul werd ondanks de sneeuw een groot succes. Men startte volgens plan op het Bosjuulplasje, de "place de Bosjuule", kortom voor de hoofdingang. Voorop de Hofkapel, dan de "agmen hossorum", de prinsewagen en de grote weagen met de Raad van Elf. De tocht ging na de Sittarderweg (champs de leut) door Arensgenhout terug. Overal in de dorpen en steden zag het zwart van de mensen. De voltallige bevolking van limburg was hier samengekomen om de heer van Ravensbos te zien en te bejubelen. Zijne hooglustigheid bezag van boven af dit gedrang met een glimlach van welgevallen en trots. En inderdaad , het was iets om trots op te zijn. De laatste zitting was een echte kliekjesavond: men zong nog wat, men buutte nog vaagjes, ( de buut van de Page was een hoogtepunt). De rest van de avond was het hossen geblazen. Toen dan eindelijk de sleutels werden overgedragen, stond eenieder het huilen nader dan het lachen. Een troost was er: de vloer van de aula was al aan het doorbuigen. Plechtig scheurde Prins Toon een papieren Uil aan stukken en verpreidde hem onder de massa. De Hofkapel alaafde in Mineur. Na het laatste defile in de grote gang ging men uiteen. Lof voor Prins Toon 1, lof voor de Page, lof voor de Raad, lof voor de Hofkapel, lof voor het volk. Carnaval 1962 was een waardige opvolger in de korte reeks Carnavalsvieringen op Ravensbos. Tot slot nog een Carnavalsgroet aan de Sevenumse Uilen, die , hoewel zwartgerokt en ingehokt, niettemin grote uilen zijn.

Yvo Smit.

 

 

 

SiteLock